15/03/2026
DE PIEKERPROFESSOR
Psycholoog Filip Raes over piekeren en angst: ‘We hebben allemaal weleens opdringerige gedachten’
“Wij zijn niet gemaakt om constant fluitend door het leven te gaan”, zegt psychotherapeut en hoogleraar psychologie aan de KU Leuven Filip Raes. “Wij zijn biologisch geëvolueerd om ons te gedragen op een manier die de kans vergroot dat we deze dag overleven. Zelfs piekeren is een overlevingsmechanisme. Veel mensen vinden dat raar om te horen, maar het is goed verklaarbaar dat we weleens piekeren. In onze evolutionaire voorgeschiedenis was het een ramp als je uit de groep viel. Dus was het nuttig om je af te vragen hoe je in de groep lag, wat anderen over je dachten, wie te vertrouwen was en wie niet. Dat zit in ons systeem, en het is gevoelig afgesteld.”
Dankzij twee boeken over het thema – Weg van het piekeren en Morgen stop ik met piekeren – staat Raes bekend als de piekerprofessor. Momenteel denkt hij volop na over een nieuw boek, dat hij tijdens een sabbatjaar vanaf 2027 hoopt te kunnen schrijven. Dat zal Gedeelde menselijkheid heten. Een mooi gespreksonderwerp, vonden wij nú alvast, zeker omdat we ook willen weten wat Raes vindt van Gene paniek, het programma waarin Philippe Geubels mensen van hun angststoornissen afhelpt, en dat nog altijd loopt op zondagavond.
Vindt u het goed?
“Ja, ik vind het heel goed. Als mensen die zelf een fobie hebben dat programma zien, zullen ze beseffen dat het niet zo abnormaal is. Dat wel meer mensen daarmee kampen en vooral: dat er een oplossing bestaat. Al is die oplossing geen pretje: bij exposuretherapie laat je mensen dingen doen waar ze liever gillend van weglopen.
“Op mijn deur aan de universiteit hangt een slogan: ‘Exposure: leuker kunnen we het niet maken’. Ik heb die therapie zelf gekregen tijdens mijn opleiding: ik was echt vies van muizen en ratten. Nu niet meer.”
Wat helpt vooral niet?
“Je mag iemand met een fobie vooral niet geruststellen. Niet zeggen: het komt wel in orde. Het is bij deze therapie juist de bedoeling dat de angst zo groot mogelijk is, terwijl je toch de situatie waar je bang voor bent aangaat. Als er dan niets ergs gebeurt, leert je brein iets nieuws: de angstige verwachtingen die je van tevoren had, zijn weerlegd.”
Moet je de oorzaak zoeken?
“Toch niet. Dat is iets belangrijks wat ik mijn studenten meegeef. De cruciale vraag is niet zozeer hoe het ooit is begonnen. De juiste vragen zijn: waarom blijven de klachten bestaan en hoe kunnen we daar nu iets aan doen? Iemand die tien jaar geleden na een scheiding zwaar begon te drinken en ondertussen weer gelukkig getrouwd is, drinkt misschien nog altijd. Ik denk niet dat je met die man per se nog over de scheiding moet beginnen om het drankprobleem hier en nu aan te pakken.”
Nochtans lees je dat vaak: dat je de oorzaak van het probleem moet vinden, om het te kunnen oplossen.
“Wie bij iemand met een obsessief-compulsieve stoornis – kortweg OCS – wil zoeken waar het allemaal begonnen is, wens ik veel succes, om maar een voorbeeld te geven. Heel soms zul je iets vinden dat aan de basis van het probleem ligt. Maar dat moet je niet weten om ermee aan de slag te gaan.
“Een ander voorbeeld is een paniekstoornis. Die begon vaak met een eerste paniekaanval die patiënten zich nog goed herinneren en die best traumatisch kan geweest zijn. Maar om die stoornis aan te pakken, hoef je niet terug te keren naar dat trauma.”
Is trauma dan onbelangrijk?
“Dat nu ook niet. Sommige mensen hebben verschrikkelijke dingen meegemaakt, hebben zeer complexe trauma’s. Met die ervaringen moet je wel iets doen in de therapie. Maar daarnaast moet je samen nagaan hoe patiënten vandaag, in hun dagelijkse leven, opnieuw kunnen functioneren. Hoe kunnen ze leren om, ondanks die littekens uit het verleden, toch weer te investeren in dingen die er voor hen toe doen.
“Het is niet verkeerd om te kijken naar het verleden, naar de manier waarop je bepaalde dingen hebt geleerd. Die leergeschiedenis kan soms veel verklaren. Maar psychotherapeuten moeten er geen gekke dingen mee gaan doen.”
Welke gekke dingen?
“Ik heb ooit het verhaal gehoord van een patiënt die tijdens de psychotherapie een pop in handen kreeg, die ze dan moest verzorgen om van een paniekstoornis af te komen. Ik mag hopen dat zulke behandelingen stilaan tot het verleden behoren.”
Er zijn veel verschillende vormen van therapie. Hoe kies je de juiste?
“De titel van klinisch psycholoog is beschermd, dus dat biedt al enige garantie. Waar je niet per se op kunt vertrouwen, is iemand die zich psychotherapeut noemt. Die titel is niet beschermd. Alleen de act van de psychotherapie is beschermd.”
Dat is raar.
“Inderdaad, dat moet dringend rechtgezet. We zijn met een aantal collega’s in gesprek met minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit). Samen met het kabinet van de minister werken we ook aan een plan om pas afgestudeerde klinisch psychologen zo goed mogelijk te blijven begeleiden wanneer ze als professional starten.”
Is het niet moeilijk om te kiezen welke soort therapie je gaat geven?
“Veel jonge collega’s lopen een beetje verloren in de veelheid aan therapeutische benaderingen. Je hebt enkele grote kaders: cognitieve gedragstherapie, de relatie- en gezinstherapie, de psychodynamische benadering en het humanistisch-experiëntiële kader. Maar ik denk dat ik ondertussen mag zeggen dat die in hun kern niet zo gek veel van elkaar verschillen.”
Wat is de essentie?
“Een psychotherapeut helpt mensen vooral om te stoppen met vermijdingsgedrag, al zullen niet alle collega’s het zo benoemen. Als je zo vastzit dat je niet meer kunt functioneren, onderzoeken wij wat de triggers zijn: welke gedachten, emoties of lichamelijke sensaties zijn zo vervelend dat je ze uit de weg gaat?
“We noemen dat unwanted private experiences, ongewenste innerlijke ervaringen. Op korte termijn kun je die op verschillende manieren wegduwen: door te drinken, jezelf te snijden, veel te eten, weinig te eten... Maar dat helpt allemaal niet op lange termijn.”
Past piekeren daar ook in?
“Piekeren is een van de grootste vormen van vermijdingsgedrag die ik ken. Je wringt jezelf in bochten omdat je bepaalde gedachten of gevoelens niet wil, omdat je die wil wegduwen, maar zo houd je ze nu juist in stand. Ook daarbij helpt exposure: je leert om vervelende gedachten niet weg te duwen, maar te laten bestaan, en er geen extra aandacht aan te geven. Intussen probeer je opnieuw dingen te doen die voor jou belangrijk zijn, maar die je lange tijd hebt uitgesteld.
“Bij een depressie is er ook veel gepieker. Ook dan helpen we mensen om, ondanks die gedachten, stap voor stap weer actiever te worden.”
Waarvan komt het idee van die gedeelde menselijkheid, waarover u wilt schrijven?
“Ik heb de voorbije jaren tientallen lezingen gegeven, en na afloop komen mensen vaak nog wat napraten. Dan zijn ze verbaasd dat ik zelf ook weleens last heb van gepieker. Maar dat heeft hen geholpen, zeggen ze dan. Zoals het programma van Philippe Geubels nu kan helpen: dankzij Gene paniek! beseffen mensen dat ze niet alleen zijn. Als je dat weet, dat je niet alleen bent, valt er meteen een last van je schouders. Dat is gedeelde menselijkheid.”
Waarover piekert u?
“Als ik voor een volle zaal sta te praten, met 400 toeschouwers, en op de achterste rij zijn er twee met elkaar aan het praten, dan heb ik dat natuurlijk meteen gezien. Dat is voor mij een vervelende trigger. Lachen ze mij uit? Deugt mijn lezing niet? Moet ik iets veranderen?
“Die gedachten zullen er altijd wel blijven, ook als ik 84 ben en in het rusthuis zit. Ik betrap mijzelf daar wel vaker op, en dan denk ik: ik ben 48 jaar oud, hoogleraar psychologie, en ik vraag mij af wat twee mensen achteraan in de zaal over mij denken.”
Maar dat is dus normaal.
“Het is zeker niet gek. Veel mensen hebben dat. Eigenlijk probeer je als psychotherapeut mensen even te laten stilstaan bij iets waar ze het moeilijk mee hebben: door het te leren opmerken en dan even te pauzeren, als het ware.
“Zo werkt mindfulness ook. Velen denken nog altijd dat je daarmee je hoofd leegmaakt, maar dat klopt natuurlijk niet. Je leert beter opmerken wat je voelt of denkt of gewaarwordt. Om vervolgens niet meteen in vermijding te gaan, maar te leren dat je ook andere keuzes kunt maken.”
Geef nog eens een voorbeeld.
“Ik kan dat het best uitleggen aan de hand van de obsessief-compulsieve stoornis. Er is sprake van obsessie en compulsief gedrag. Die obsessie, dat zijn de vervelende gedachten. Wat als ik anderen besmet omdat mijn handen vuil zijn? Wat als mijn huis afbrandt doordat ik het vuur niet heb uitgezet? Het compulsieve gedrag volgt daarna.
“Wij leren de patiënt dat de gedachte er kan zijn zonder dat je het gedrag stelt. Opnieuw: exposure. Je leert iemand om dat voortdurende handen wassen of overmatig controleren achterwege te laten. Om eens een ander gedrag te kiezen. Zoals bij patiënten met een depressie of angststoornis.”
Wanneer wordt iets een stoornis?
“Als het je functioneren bemoeilijkt of onmogelijk maakt. Want als we eerlijk zijn, hebben we allemaal weleens vervelende, opdringerige gedachten. Ook dat is weer die gedeelde menselijkheid. Ik denk dat heel veel mensen op het perron weleens hebben gedacht: wat als ik nu eens voor de trein spring of iemand eronder duw?
“Bij de meeste mensen waait die gedachte meteen weer weg. Bij mensen met een gevoeligheid voor dwang kan dat ontsporen. Want die gaan die gedachten al sneller zien als teken dat ze misschien een slecht mens zijn.”
En durven de trein niet meer nemen?
“Bijvoorbeeld. Ik ken ook voorbeelden van mensen die hun kind niet meer durfden te verzorgen omdat ze bang waren dat ze het iets zouden aandoen. Maar nogmaals: bij de meeste mensen gaat zoiets snel voorbij. Het is niet abnormaal als je af en toe last hebt van wat gekke gedachten.”
Gaan sommige mensen te snel naar de psycholoog?
“Dat zou kunnen. Die vraag wil ik in mijn volgende boek grondig behandelen. Veel dingen horen gewoon bij het leven, bij wie we zijn. Het is normaal dat je piekert over je kinderen, omdat je die kinderen graag ziet. Ik pieker niet over de Japanse volleybalcompetitie, maar als mijn dochter daar zou gaan spelen, misschien wél af en toe. Je kunt niet van dingen houden en er tegelijk niet over piekeren.”
Een psychopaat piekert niet.
“Dat denk ik niet.”
Besteden media te veel aandacht aan mentaal welzijn?
“Misschien niet altijd de juiste aandacht. Begin dit jaar werd ik door VTM gebeld over blue monday, de derde maandag van januari en zogezegd de meest deprimerende dag van het jaar. Ik moest meteen denken aan de eerste keer dat ik werd gebeld door een journalist: in december, met een vraag over de winterdepressie.
“Er bestaat uiteraard ook zoiets als een lentedepressie, want als de zon schijnt en iedereen vrolijk is, kun je zelf zwaarmoedig worden. Ook de zomerdip bestaat al, want je werkritme wordt onderbroken.”
Zo blijven we bezig.
“Uiteraard. September is ook een slechte maand, want dan hebben we het druk met de kinderen die terug naar school moeten. Het houdt niet op.”
U zou een vaste rubriek moeten hebben op VTM, elke dag na het weerbericht.
“Ik kan in ieder geval voor elke dag wel iets bedenken. Dat is nu eenmaal onze menselijke conditie. In wezen is die gedeelde menselijkheid ook de boodschap van Dirk De Wachter: ongemak hoort erbij. Dat is de essentie. Al moet je daar ook mee uitkijken. Je kunt dat niet tegen iedereen zeggen. Iemand die verkracht is of een kind heeft verloren, schiet weinig op met de boodschap dat ongemak erbij hoort.”
Wat helpt dan wel?
“Een gesprek met lotgenoten, bijvoorbeeld met ervaringsdeskundigen die het zelf hebben meegemaakt. De wetenschap benadrukt steeds vaker hoe belangrijk het is om hen bij behandelingen te betrekken. Bij de verslavingszorg is het al lang duidelijk dat steun van lotgenoten helpt: het besef dat je iets deelt met een ander.
Die gedeelde menselijkheid werkt trouwens in twee richtingen, dat zien we in de politiek: leiders die hun volgers ervan kunnen overtuigen dat ze géén gedeelde menselijkheid hebben met anderen, zijn in staat tot vreselijke dingen.”
Ontmenselijking.
“Precies. Die anderen zijn geen mensen, maar aliens. En opgelet, die gedachte kun je ook over jezelf krijgen. Dat is het belang van mildheid. Als je met een probleem kampt en denkt dat je alleen bent, kun je over jezelf vinden dat je er niet bij hoort. En dan begin je jezelf misschien op een vreselijke manier te bejegenen. Ook dat is een belangrijke boodschap die we vaak niet mogen vergeten: wees ook eens wat milder voor jezelf.”
Uit De morgen