13/03/2026
Hij dacht dat hij een relatieprobleem had.
Maar eigenlijk had zijn lichaam een beschermingsreflex.
Jan kwam bij mij omdat zijn relaties telkens op dezelfde manier eindigden. Niet met ruzie. Niet met drama. Gewoon met afstand nemen en laten doodbloeden...
Hij vertelde het bijna nuchter. In het begin gaat alles goed, zei hij. Hij ontmoet iemand, er is chemie, plezier, spanning. De eerste maanden voelen licht en vanzelfsprekend. Maar ergens rond het moment dat een relatie dieper begint te worden, verandert er iets in hem.
Dan begint het te draaien in zijn hoofd. Kleine dingen beginnen hem te storen. De manier waarop iemand berichtjes stuurt of hoe vaak ze dat doet. Hoe vaak ze hem wil zien. Hoe dichtbij ze komt.
“En dan voel ik gewoon dat ik afstand wil,” zei hij. “Niet omdat ze iets fout doet. Maar omdat het plots te veel voelt.”
Ik hoor dat vaker. Mensen denken dan dat ze gewoon nog niet de juiste partner hebben ontmoet. Maar bij Jan voelde ik meteen dat er iets anders speelde.
Dus begonnen we niet met praten over zijn exen of zijn relaties. We begonnen met zijn lichaam in te zetten als aangever van signalen.
Ik vroeg hem zijn voeten stevig op de grond te zetten en even stil te worden. “Sluit je ogen eens,” zei ik. “En denk aan een moment waarop iemand dichtbij kwam. Wat gebeurt er dan in je lichaam?”
Het antwoord kwam snel. Hij legde zijn hand op zijn borst.
“Hier,” zei hij. “Alsof er druk komt. Alsof iets dichtgaat.”
Als vanzelf werd een oud beschermingsmechanisme geactiveerd. Niet omdat er nu écht gevaar was, maar omdat het systeem ooit geleerd heeft dat nabijheid spanning betekent.
In plaats van dat gevoel weg te duwen, bleven we er even bij. Ik liet hem afwisselen tussen die spanning en een plek in zijn lichaam die rustiger voelde. Zijn voeten op de grond. Zijn handen. Zijn ademhaling.
Zo leerde hij ervaren dat spanning kan opkomen zonder dat je meteen moet vluchten en erbij kan blijven.
Na een tijdje veranderde er iets. Zijn ademhaling werd rustiger. Zijn schouders zakten een beetje. “Mijn lichaam voelt rustiger nu, ook als iemand heel nabij is,” zei hij, bijna verrast.
Dat was het moment waarop we gingen verdiepen.
Ik begeleidde hem naar een rustige trance en vroeg hem zich een eenvoudige scène voor te stellen. Geen grote romantische situatie. Gewoon twee mensen die naast elkaar zitten. Rustig. Zonder verwachtingen. Zonder druk. Alleen elkaars aanwezigheid.
En daarbij konden blijven.
Toen hij zijn ogen weer opende, bleef hij even stil zitten.
Wanneer het onderbewuste een ervaring van veilige nabijheid registreert, ontstaat er een nieuw referentiepunt. Een nieuw relationeel sjabloon. Het lichaam dat leert dat verbinding niet automatisch alarm hoeft te betekenen.
We hebben daar niet gestopt. Ik gaf hem ook oefeningen mee voor thuis. Geen ingewikkelde dingen, maar kleine momenten van aanwezigheid die hij samen met zijn partner kan oefenen. Even naast elkaar zitten zonder iets te moeten oplossen. Bewust samen ademen. Elkaar aankijken zonder meteen iets te zeggen.
Want in dit proces is een begripvolle partner ontzettend belangrijk. Niet om te “fixen”, maar om samen een veilige ruimte te creëren waarin het zenuwstelsel opnieuw kan leren dat verbinding veilig is.
Zonder woorden.
De laatste keer dat ik Jan zag, vertelde hij dat hij nog altijd momenten van twijfel voelt en ze (h)erkent. Maar dat hij niet meer automatisch wegloopt. Dat hij nu eerst even stil wordt, ademt, en voelt wat er in zijn lichaam gebeurt.
En dan blijft hij. Dat hij erover praat.
Het voelt geleidelijk aan veilig genoeg om te doen waar hij eigenlijk al die jaren naar verlangde. Zich openstellen voor een echte connectie waarin hij blijft.