27/02/2026
Waarom denken zo weinig hoogbegaafden van zichzelf dat ze hoogbegaafd zijn?
Omdat het zelden zo begint.
Ouders bellen mij niet met:
“Wij denken dat ons kind hoogbegaafd is.”
Ze zeggen:
“De juf vroeg of we er al eens naar gekeken hebben.”
“Hij gebruikt woorden die niet bij zijn leeftijd passen.”
“Ze lijkt zich vaak te vervelen.”
“Men zegt dat hij meer kan dan hij laat zien.”
En bijna altijd volgt er:
“Maar wij willen niet overkomen als die ouders die denken dat hun kind beter is.”
Dat is het punt.
Het idee komt zelden van binnenuit.
Het komt van buitenaf.
Meerdere keren zelfs.
Door verschillende mensen.
Pas wanneer dezelfde boodschap herhaald wordt,
durven ouders het gaanonderzoeken.
Bij volwassenen zie ik iets gelijkaardigs gebeuren.
Weinig mensen stappen binnen met:
“Ik denk dat ik hoogbegaafd ben.”
Ze komen met iets totaal anders:
“Ik verveel mij snel op het werk.”
“Ik bots voortdurend met leidinggevenden omdat dingen niet logisch zijn.”
“Ik stel uit tot het laatste moment, maar haal het dan toch.”
“Ik voel mij vaak de traagste in praktische dingen en tegelijk de snelste in analyse.”
“Ik denk altijd te veel.”
"Ik heb voor de tweede keer een burn-out, maar ik begrijp het niet, want mijn werk is eerder saai dan moeilijk".
Ze noemen zichzelf kritisch.
Perfectionistisch.
Een overdenker.
Moeilijk.
Maar zelden: hoogbegaafd.
Waarom?
Omdat mensen dit niet automatisch van zichzelf gaan denken.
Wat voor anderen uitzonderlijk lijkt,
voelt voor hen normaal.
Ze weten niet hoe het is om minder snel te denken.
Dus gaan ze er van uit dat iedereen zo denkt.
En tegelijk vergelijken ze zich met hun eigen potentieel.
Niet met het gemiddelde.
Een kind kan je testen.
Daar is ruimte voor. Maar jezelf testen?
Bij volwassenen wordt het snel ongemakkelijker.
Want als je moet erkennen
dat je misschien cognitief sterker bent dan gemiddeld,
dan moet je ook kijken naar wat je ermee gedaan hebt.
En dat schuurt. Het kan je zelfs 's nachts uit je slaap houden.
Vaak begint het pas te bewegen
wanneer hun kind getest wordt.
Wanneer het verslag op tafel ligt.
Wanneer ik zeg:
“Dit profiel zien we vaak in families want er zit dikwijls een erfelijkheidsfactor.”
Dan zie ik iets veranderen.
Geen trots.
Maar herkenning.
En soms ook rouw.
Omdat ze beseffen
dat hun eigen “luiheid”,
“lastigheid”
of “gevoeligheid”
misschien nooit correct begrepen is. Dat ze kansen hebben laten liggen uit onzekerheid.
Veel hoogbegaafden worden niet gezien
omdat ze zichzelf nooit hebben gezien.
Ze ervaarden vooral wrijving.
En wrijving klinkt minder flatterend
dan talent of potentieel.
Werd het bij jou van binnenuit gevoeld…
of pas zichtbaar nadat iemand anders het benoemde?
Johan