17/12/2025
De schuifdeuren van de lift gaan open met dat kenmerkende zuchtje lucht, alsof het gebouw zelf even ademhaalt, en daar komen ze weer: de bedden van de verkoever, langzaam voortgeduwd door twee bekende gezichten, een verpleegkundige die het infuus bewaakt alsof het porselein is en een collega die ondertussen zachtjes praat, niet zozeer om informatie over te brengen, maar vooral om gerust te stellen, want terugkomen op de afdeling chirurgie na een operatie is altijd een klein moment van spanning, zelfs als alles goed is gegaan.
Op kamer twaalf ligt mevrouw Jansen, net geopereerd, nog wat grauw van de narcose, ogen half open, mond droog, haren in een knot die duidelijk beter dagen heeft gekend, maar ze is er weer, terug op haar eigen plek, en dat alleen al voelt als winst. “U bent er weer,” zeg ik, en ze knikt voorzichtig, alsof ze eerst wil testen of haar hoofd het ook met haar eens is. Haar hand zoekt automatisch naar het bedhek, dat vertrouwde stukje zekerheid, en ik zie hoe haar schouders iets zakken wanneer ze herkent waar ze is.
Chirurgie is geen afdeling van grote woorden, het is een afdeling van doen. Van checken, voelen, luisteren, kijken, opnieuw checken en dan pas weer even zitten. Het is de afdeling waar een infuus meer zegt dan een verhaal en waar stilte soms beter werkt dan uitleg. De monitor piept rustig, de wond is netjes verbonden, de vitale functies doen wat ze moeten doen en ergens tussen al die medische feiten zit een mens die net iets groots heeft doorstaan en nu weer voorzichtig mag landen.
Mevrouw Jansen is zo iemand die zich groot heeft gehouden tot aan de operatiekamer, grapjes maakte tegen de anesthesist en nog even zwaaide toen ze werd weggereden, maar nu, terug op de afdeling, breekt dat pantser een beetje open. “Het is voorbij hè?” vraagt ze zacht. En ik knik, want ja, dit deel is voorbij, en het volgende deel begint hier, in dat ziekenhuisbed, met kleine slokjes water, een eerste hap beschuit, voorzichtig rechtop zitten en uiteindelijk, als alles meewerkt, dat eerste rondje over de gang.
Wat mensen vaak niet zien, is hoeveel opluchting er op zo’n moment in een kamer hangt. Niet alleen bij de patiënt, maar ook bij de familie die even later binnenkomt, nog half in de stressstand, jas niet eens goed dicht, tas vergeten mee te nemen, ogen die meteen zoeken naar tekenen: leeft ze, ademt ze, lacht ze? En dan dat ene moment waarop ze elkaar zien en alles even goed is. Geen grote omhelzing, want slangen en wonden, maar een hand die wordt vastgepakt, een blik die genoeg zegt. Dit zijn de stille overwinningen van de chirurgie.
De uren daarna kabbelen voort in een rustig ritme. Pijnscore vragen, medicatie bijstellen, een glaasje water aanreiken, uitleggen dat duizelig zijn normaal is, dat moe zijn erbij hoort, dat dit geen terugval is maar herstel. Mevrouw Jansen verontschuldigt zich drie keer omdat ze “zo’n last” is, en ik moet glimlachen, want dit is geen last, dit is precies waarvoor deze afdeling bestaat. Voor mensen die even niet kunnen en dat ook niet hoeven.
Aan het eind van de middag durft ze het aan: rechtop zitten, voeten op de grond. Haar gezicht betrekt even, niet van pijn, maar van spanning, want dit is het moment waarop ze haar lichaam weer moet vertrouwen. We tellen samen, heel kinderachtig misschien, maar het werkt. Eén, twee, drie… en daar zit ze. “Kijk eens aan,” zeg ik, en haar glimlach is klein maar oprecht. Het is geen marathon, het is een eerste stap, en die telt hier misschien wel het meest.
De avond valt langzaam over de afdeling, het geluid wordt zachter, de lichten iets gedimd, en mevrouw Jansen ligt weer in bed, moe maar zichtbaar tevreden. “Ik ben blij dat ik er weer ben,” zegt ze, en dat ene zinnetje vat eigenlijk alles samen. Niet alleen haar dag, maar het hele idee van een afdeling chirurgie. Het is de plek waar mensen even uit het leven stappen, onder het mes gaan, en daarna voorzichtig weer terugkeren. Waar zorg niet spectaculair is, maar betrouwbaar. Waar vooruitgang soms zit in een halve boterham en een paar stappen over de gang.
Als ik later nog even bij haar binnenloop voor de laatste ronde, slaapt ze al. Haar ademhaling is rustig, haar gezicht ontspannen. Morgen begint een nieuwe dag, met nieuwe doelen: een stukje lopen, zelf wassen, misschien zelfs al denken aan naar huis gaan. En ik weet, dit is waarom deze afdeling goed voelt. Niet omdat het altijd makkelijk is, maar omdat het bijna elke dag laat zien dat mensen meer kunnen dan ze zelf denken, zeker als ze even geholpen worden.
Afdeling chirurgie is geen plek van drama, het is een plek van herstel, van stille kracht en kleine stappen vooruit. En soms, als alles samenvalt, voelt dat verrassend veel als geluk.