Broeder Sjuul

Broeder Sjuul Broeder Sjuul is een pagina waarmee ik een inkijkje geef in mijn werk als zorgverlener en als mens

This Is my Life, een blog over het leven van vandaag... het leven van mij als blogger maar ook het leven van iemand die zomaar over straat wandelt...

In de thuiszorg begint ieder bezoek met hetzelfde ritueel: waar heb ik ‘m gelaten? De bloeddrukmeter ligt steevast in ee...
23/12/2025

In de thuiszorg begint ieder bezoek met hetzelfde ritueel: waar heb ik ‘m gelaten? De bloeddrukmeter ligt steevast in een andere tas dan gisteren, de saturatiemeter heeft zich waarschijnlijk verstopt uit angst om weer koude vingers te moeten knijpen, de thermometer zit los in mijn jaszak en de oplader… ja die ligt natuurlijk thuis, naast de koffie die ik óók vergeten ben te drinken.
Welkom in de wijk, waar wij zorg verlenen met een soort medische grabbelton.

Ik kom binnen bij een cliënt en begin als een goochelaar zonder assistent mijn spullen uit te stallen op tafel: “Even kijken hoor… bloeddruk links, saturatie rechts, thermometer… o nee, die piept pas over acht seconden… of negen… of helemaal niet.”
De cliënt kijkt toe alsof hij live aanwezig is bij Heel Holland Meet, en vraagt voorzichtig: “Moet dat allemaal?”
Ja meneer, dit is het systeem.

En dan heb je het ziekenhuis.
Daar staat hij.
De p**l.
Dé p**l.

Alles-in-één. Bloeddruk, saturatie, temperatuur, hartslag, ademhaling, waarschijnlijk ook je sterrenbeeld en vorige levens. Je plugt de patiënt in, drukt op één knop en floep, alles schiet keurig automatisch het dossier in. Geen papier, geen gezoek, geen “oh wacht, hij stond nog op Fahrenheit”.
De p**l oordeelt niet. De p**l vergeet niets. De p**l piept alleen als hij dat zinvol vindt.

Terwijl ik in de wijk nog net niet met plakband en hoop werk, loopt in het ziekenhuis de verpleegkundige weg met de rust van iemand die weet: de p**l regelt het.
Ik daarentegen sta bij de voordeur te twijfelen of ik de bloeddruk wel echt heb opgeslagen of dat ik straks in de auto denk: “Sh*t… was het nou 140/90 of het huisnummer?”

Maar eerlijk is eerlijk: die rommelige tas, dat losse spul, dat gepruts op de keukentafel , dát is ook thuiszorg. Geen hightech p**l, maar high-touch zorg.
En als alles het even niet doet? Dan hebben we altijd nog onze belangrijkste meetinstrumenten: twee ogen, twee oren en een onderbuikgevoel dat geen p**l ooit zal evenaren.

Al zou een p**l in de wijk soms wel lekker zijn…
Op wieltjes.
Met koffiehouder.
En een vakje voor mijn waardigheid

Net als ieder jaar schrijf ik kerstkaarten.Zo’n klein ritueel dat ergens tussen half december en lichte paniek in mijn a...
21/12/2025

Net als ieder jaar schrijf ik kerstkaarten.
Zo’n klein ritueel dat ergens tussen half december en lichte paniek in mijn agenda past. Ik vind het oprecht leuk. Misschien omdat ik zelf ook nog steeds een beetje kinderlijk blij kan worden van post die geen rekening is. Een envelop op de mat, iemand die even aan je gedacht heeft. Dat idee.
Normaal pak ik het groots aan. Ik zoek kaartjes uit die écht bij iemand passen. Geen dertien-in-een-dozijn kerstboom, maar iets met een randje, een grapje, een knipoog. En dan die vulpen. Die ligt de rest van het jaar stof te happen, maar voor kerstkaarten mag hij naar buiten. Alsof melancholie beter schrijft met inkt die net iets te langzaam droogt.
Het zijn geen lange teksten hoor. Geen levensverhalen. Meer van die zinnen die voelen als een hand op je schouder.
Hé, ik denk aan je.
Ik zie je.
Succes met alles wat dit jaar van je gevraagd heeft.
Dit jaar ging het anders.
Ik merkte dat ik bleef uitstellen. Dat het doosje kaarten langer dicht bleef. Dat zelfs de vulpen me een beetje verwijtend aankeek. Niet omdat ik het niet wílde, maar omdat het jaar… tja. Het was zo’n jaar. Eén met rafelrandjes, onverwachte bochten en momenten waarop je vooral aan het overleven was in plaats van aan het terugkijken.
Dus dit keer geen luxe kaarten.
Geen perfecte match per persoon.
Gewoon een kaartje.
Een simpel kaartje, met een simpele wens.
Fijne dagen.
Omdat dat soms al meer dan genoeg is.
Omdat niet ieder jaar vraagt om g***s en glitter, maar om zachtheid.
Omdat een kaartje ook mag zeggen: het was een gek jaar, maar je bent er nog.
En eerlijk? Dat voelde eigenlijk heel passend.
Want kerst hoeft niet altijd mooi afgerond te zijn. Soms is kerst gewoon: even laten weten dat je er bent. Met pen. Met papier. Met aandacht.
En dat is misschien wel het meest waardevolle kaartje dat je kunt sturen.

Wil je mij een kaartje sturen? Dat kan!
De schans 5
4233GG Ameide

19/12/2025

Ze zeggen vaak: “Wat doe jij precies in de zorg?”
En elke keer moet ik even lachen, want dat is net zo’n vraag als: “Wat doet water?” Het stroomt, het zoekt zijn weg, het vult gaten op waar ze ontstaan. Zo is de zorg ook. En zo zijn de mensen die erin werken.

Op papier zijn er vier smaken. Helpende. Verzorgende IG. Verpleegkundige. Hbo-verpleegkundige. Mooie titels, netjes afgebakend. Maar wie ooit een dienst heeft gedraaid, weet: die titels verdwijnen zodra je je jas aantrekt en een voordeur opendoet.

Neem de helpende. Die komt vaak als eerste binnen. Niet met grote woorden, niet met ingewikkelde handelingen, maar met aanwezigheid. Met weten hoe iemand zijn boterham eet, met voelen dat vandaag anders is dan gisteren. De helpende ziet dat een jas ongebruikt aan de kapstok hangt, dat de gordijnen niet zijn opengegaan, dat iemand stiller is dan normaal. En nog voordat iemand het zelf benoemt, weet de helpende: hier klopt iets niet. Dat is geen simpele zorg. Dat is vakmanschap, opgebouwd uit aandacht en herhaling.

Een deur verderop staat de verzorgende IG. Die balanceert voortdurend tussen handen aan het bed en een telefoon aan het oor. Wonden verzorgen, medicatie delen, maar ondertussen ook afwegen: bel ik nu de huisarts of kan dit wachten? Wat betekent deze onrust, deze pijn, deze blik? De verzorgende IG is degene die vaak zegt: “Ik vertrouw het niet.” En meestal heeft die gelijk. Niet omdat het in een protocol staat, maar omdat ervaring soms harder spreekt dan papier.

En dan is er de verpleegkundige. Die staat er vaak wat steviger in, met een klinische blik die constant scant: ademhaling, kleur, gedrag, cijfers én gevoel. De verpleegkundige werkt op afdelingen waar het tempo hoog ligt, of juist in de nacht waar stilte bedrieglijk kan zijn. Zij of hij is degene die beslissingen neemt wanneer niemand anders kijkt. Die verantwoordelijkheid draagt, ook als niemand die later benoemt.

Verderop staat de hbo-verpleegkundige. Soms letterlijk, soms figuurlijk een stap terug. Niet omdat die minder betrokken is, maar omdat overzicht nodig is. De hbo-verpleegkundige kijkt niet alleen naar de cliënt, maar ook naar het systeem eromheen. Waarom loopt deze zorg vast? Waarom raken collega’s overbelast? Waarom doen we dit zo, en kan het anders? Die rol is minder zichtbaar, maar onmisbaar. Want zonder iemand die de lijnen bewaakt, raakt de zorg zichzelf kwijt.

En dan heb ik het nog niet eens over waar al die mensen werken. In ziekenhuizen, in wijken, op afdelingen waar de tijd langzaam lijkt te lopen. Bij mensen thuis, waar je te gast bent in iemands leven. In instellingen waar chaos regeert, of juist in stilte waar het einde nabij is. Dezelfde functietitel, maar een compleet ander vak.

De ene zorgverlener is troostend, de ander direct. De een praat veel, de ander zegt weinig maar kijkt scherp. Sommigen zijn rotsvast in crisis, anderen zijn goud waard in rust. En allemaal doen ze hetzelfde werk, en toch ook totaal niet.

Dus hoeveel functies zijn er in de zorg?
Niet vier. Geen tien. Geen honderd.

Er zijn er honderdduizend.
Omdat elke zorgverlener zijn vak vormt rondom de mensen die hij of zij ontmoet.
Omdat geen mens hetzelfde is.
En omdat zorg nooit een product is, maar een relatie.

En misschien is dat wel precies waarom dit vak zo zwaar is.
En tegelijk zo onmogelijk mooi.

De schuifdeuren van de lift gaan open met dat kenmerkende zuchtje lucht, alsof het gebouw zelf even ademhaalt, en daar k...
17/12/2025

De schuifdeuren van de lift gaan open met dat kenmerkende zuchtje lucht, alsof het gebouw zelf even ademhaalt, en daar komen ze weer: de bedden van de verkoever, langzaam voortgeduwd door twee bekende gezichten, een verpleegkundige die het infuus bewaakt alsof het porselein is en een collega die ondertussen zachtjes praat, niet zozeer om informatie over te brengen, maar vooral om gerust te stellen, want terugkomen op de afdeling chirurgie na een operatie is altijd een klein moment van spanning, zelfs als alles goed is gegaan.

Op kamer twaalf ligt mevrouw Jansen, net geopereerd, nog wat grauw van de narcose, ogen half open, mond droog, haren in een knot die duidelijk beter dagen heeft gekend, maar ze is er weer, terug op haar eigen plek, en dat alleen al voelt als winst. “U bent er weer,” zeg ik, en ze knikt voorzichtig, alsof ze eerst wil testen of haar hoofd het ook met haar eens is. Haar hand zoekt automatisch naar het bedhek, dat vertrouwde stukje zekerheid, en ik zie hoe haar schouders iets zakken wanneer ze herkent waar ze is.

Chirurgie is geen afdeling van grote woorden, het is een afdeling van doen. Van checken, voelen, luisteren, kijken, opnieuw checken en dan pas weer even zitten. Het is de afdeling waar een infuus meer zegt dan een verhaal en waar stilte soms beter werkt dan uitleg. De monitor piept rustig, de wond is netjes verbonden, de vitale functies doen wat ze moeten doen en ergens tussen al die medische feiten zit een mens die net iets groots heeft doorstaan en nu weer voorzichtig mag landen.

Mevrouw Jansen is zo iemand die zich groot heeft gehouden tot aan de operatiekamer, grapjes maakte tegen de anesthesist en nog even zwaaide toen ze werd weggereden, maar nu, terug op de afdeling, breekt dat pantser een beetje open. “Het is voorbij hè?” vraagt ze zacht. En ik knik, want ja, dit deel is voorbij, en het volgende deel begint hier, in dat ziekenhuisbed, met kleine slokjes water, een eerste hap beschuit, voorzichtig rechtop zitten en uiteindelijk, als alles meewerkt, dat eerste rondje over de gang.

Wat mensen vaak niet zien, is hoeveel opluchting er op zo’n moment in een kamer hangt. Niet alleen bij de patiënt, maar ook bij de familie die even later binnenkomt, nog half in de stressstand, jas niet eens goed dicht, tas vergeten mee te nemen, ogen die meteen zoeken naar tekenen: leeft ze, ademt ze, lacht ze? En dan dat ene moment waarop ze elkaar zien en alles even goed is. Geen grote omhelzing, want slangen en wonden, maar een hand die wordt vastgepakt, een blik die genoeg zegt. Dit zijn de stille overwinningen van de chirurgie.

De uren daarna kabbelen voort in een rustig ritme. Pijnscore vragen, medicatie bijstellen, een glaasje water aanreiken, uitleggen dat duizelig zijn normaal is, dat moe zijn erbij hoort, dat dit geen terugval is maar herstel. Mevrouw Jansen verontschuldigt zich drie keer omdat ze “zo’n last” is, en ik moet glimlachen, want dit is geen last, dit is precies waarvoor deze afdeling bestaat. Voor mensen die even niet kunnen en dat ook niet hoeven.

Aan het eind van de middag durft ze het aan: rechtop zitten, voeten op de grond. Haar gezicht betrekt even, niet van pijn, maar van spanning, want dit is het moment waarop ze haar lichaam weer moet vertrouwen. We tellen samen, heel kinderachtig misschien, maar het werkt. Eén, twee, drie… en daar zit ze. “Kijk eens aan,” zeg ik, en haar glimlach is klein maar oprecht. Het is geen marathon, het is een eerste stap, en die telt hier misschien wel het meest.

De avond valt langzaam over de afdeling, het geluid wordt zachter, de lichten iets gedimd, en mevrouw Jansen ligt weer in bed, moe maar zichtbaar tevreden. “Ik ben blij dat ik er weer ben,” zegt ze, en dat ene zinnetje vat eigenlijk alles samen. Niet alleen haar dag, maar het hele idee van een afdeling chirurgie. Het is de plek waar mensen even uit het leven stappen, onder het mes gaan, en daarna voorzichtig weer terugkeren. Waar zorg niet spectaculair is, maar betrouwbaar. Waar vooruitgang soms zit in een halve boterham en een paar stappen over de gang.

Als ik later nog even bij haar binnenloop voor de laatste ronde, slaapt ze al. Haar ademhaling is rustig, haar gezicht ontspannen. Morgen begint een nieuwe dag, met nieuwe doelen: een stukje lopen, zelf wassen, misschien zelfs al denken aan naar huis gaan. En ik weet, dit is waarom deze afdeling goed voelt. Niet omdat het altijd makkelijk is, maar omdat het bijna elke dag laat zien dat mensen meer kunnen dan ze zelf denken, zeker als ze even geholpen worden.

Afdeling chirurgie is geen plek van drama, het is een plek van herstel, van stille kracht en kleine stappen vooruit. En soms, als alles samenvalt, voelt dat verrassend veel als geluk.

Loop maar met me mee, maar pas op! Blijf niet midden in de gang staan, want hier vliegt altijd wel iemand met een bed, i...
16/12/2025

Loop maar met me mee, maar pas op! Blijf niet midden in de gang staan, want hier vliegt altijd wel iemand met een bed, infuusp**l of een rol tafel langs. Dit is de Acute Opname Afdeling, het land tussen de Spoedeisende Hulp en de rest van het ziekenhuis. Als Schiphol een ziekenhuis was, dan waren wij de gate waar alles misgaat als één reiziger besluit zijn koffer open te trekken. Hier komt iedereen binnen met “iets acuut” en binnen no-time beslist het ziekenhuis waar iemand heen moet: IC, afdeling, operatie, of soms… naar een heel andere kliniek.

De geur? Ja, die ruik je goed: een mix van net ontsmette kamers, ziekenhuislucht en koffie die al vanaf 07:00 uur staat te verbranden in een machine die eigenlijk met pensioen had gemoeten rond de SARS-uitbraak. De monitoren om ons heen piepen alsof ze met elkaar staan te kletsen in morse. En zie je die printer daar? Die staat nooit stil. Die spuugt papieren uit als een patiënt met noro: een onafgebroken stroom van papieren, polsbandjes overdrachten.
En terwijl we daar staan, wordt er ineens een bed mijn kant opgeduwd. Trudy. 54, vurige kop met dito karakter, met zoveel energie dat ik bij binnenkomst meteen dacht: “Als haar lichaam net zo sterk is als haar mening, dan komt ze hier levend uit.”

De SEH verpleegkundige rolt zijn ogen en fluistert: “Succes… ze was het er niet mee eens.”
Dat blijken haar eerste woorden ook: “Dit bed ligt ruk, ik ga zo weer naar huis, hoor!”
Ik sluit haar aan op de monitor en binnen 30 seconden maakt Trudy drie dingen duidelijk:

1. Ze heeft hier geen tijd voor,
2. Ze wil haar eigen paracetamol want “die werkt beter dan jullie troep”,
3. En als ze doodgaat moet ik zorgen dat haar man de honden naar binnen krijgt, want “die luisterden alleen naar mij”.

We zetten zuurstof op, jij mag aan die kant van het bed gaan staan, hou even haar hand vast, ja die, en let op de monitor. Zie je die waardes? Zo hoort dat niet. Hartslag schiet omhoog, saturatie omlaag. “Ha, kijk,” zeg ik nog, “je lichaam doet mee in de achtbaan.”
En poef, daar glijdt de humor weg uit haar ogen en komt de angst naar binnen. Dat voel je. Dat voel je door je eigen ribbenkast heen, alsof de lucht in de kamer ineens een fractie kouder wordt. Dit is zo’n moment waarop mijn stem vanzelf zachter wordt.

“Blijf je erbij Trudy, oké? Ik ben Sjuul, ik blijf hier.”
De arts ziet het tegelijk met mij gebeuren. Eén blik is genoeg. Foute boel.
Ineens staat er een team om haar heen dat sneller samenwerkt dan welke militaire operatie dan ook. De monitor verandert in een kerstboom, we schakelen op, alles gaat in een soort stress-stand, maar niemand rent. Iedereen beweegt alsof ze al wisten wat er ging gebeuren.
Zuurstof omhoog. Medicatie erbij. En terwijl de arts-assistent orders geeft en de intensivist wordt gebeld, kijkt Trudy mij aan met ogen die vragen wat haar mond niet meer kan. Ze knijpt in mijn hand:
“Als ik het niet red… die honden hè… niet laten verhongeren.”
Alsof ik een contract tekende, knik ik.

Soms zeg je ja op dingen waar je helemaal geen plan voor hebt, maar omdat iemand dat ja nodig heeft om niet te verdrinken in paniek.
Binnen 12 minuten, twaalf! Is ze onderweg naar de IC. Als je nu naar de klok kijkt, is dat ongeveer de tijd die je thuis nodig hebt om te besluiten wát je wil eten. Hier beslissen we in diezelfde minuten over een mensenleven.
Als het bed verdwijnt door de klapdeuren, blijft de stilte altijd even hangen. Zo’n mini-stilte, van drie, vier seconden. Daarna knalt het leven hier weer door alsof er niets is gebeurd. De printer start weer, de monitoren bliepen weer vrolijk, telefoons rinkelen, en iemand vraagt waar de pleisters XXL zijn gebleven. De AOA ademt door. Moet door.

En twee weken later?
Daar kwam ze. Trudy. In een rolstoel, één arm omhoog, zuurstof nog half op haar neus, haar stem nog kraakhelder:
“Heb je mijn man gebeld? Die honden hebben vast het huis gesloopt!”
En ik lach. En ik voel het prikken achter mijn ogen. Want ze is er nog.
Welkom op de Acute Opname Afdeling.
Het land tussen paniek en opluchting.
Waar alles in één minuut kan veranderen en wij meelopen in dat tempo.

Het kerstpakket.Volgens mij voor veel werkgevers een jaarlijks hoofdpijndossier, ergens tussen de RI&E, de kerstborrel e...
13/12/2025

Het kerstpakket.
Volgens mij voor veel werkgevers een jaarlijks hoofdpijndossier, ergens tussen de RI&E, de kerstborrel en de vraag of je dit jaar wél of niet weer dezelfde speech gaat herhalen.

Ik werk inmiddels zo’n elf jaar aan het bed, waarvan vijf jaar als zzp’er, en ik durf met droge ogen te zeggen: ik heb álles voorbij zien komen. Van Albert Heijn-bonnen (handig, maar weinig romantisch), keuzepakketten met vier opties waar altijd nét niet jouw smaak tussen zit, tot een online portaal waar je met punten peperdure Action-achtige producten mocht uitzoeken die je zelf nooit zou kopen. Ik heb boodschappenpakketten gezien in maten XS tot XXL, flessen wijn van 25 euro uit ziekenhuismaatschappen, en ja — ik nam ooit een complete airfryer mee naar huis. En een ander jaar liep ik weg met tachtig euro aan Rituals alsof ik een luxe wellnessweekend had gewonnen.

Zo’n kerstpakket wordt door werknemers toch een beetje gezien als dé graadmeter: hoe dankbaar is mijn baas eigenlijk voor mijn inzet?
En laat ik eerlijk zijn: je doet het nooit voor iedereen goed. Dat weet ik ook wel.

Wat ik me wél altijd afvraag: hoe wordt zo’n pakket eigenlijk gekozen?

Is er een geheime poll op het intranet met de titel: “Hoe ziet jouw ideale kerstpakket eruit?”
Of zit er ergens hoog in een ivoren toren iemand die met een ferme klap op tafel zegt: “Dit vind ík leuk, succes ermee.”
Misschien is er wel een commissie. Met een werkgroepnaam als Projectgroep Warm Gebaar of Secret Santa 2.0, waar serieus wordt gediscussieerd over de vraag of de pannenkoekenmix dit jaar mag blijven, of dat ‘ie te veel calorieën en te weinig visie uitstraalt.

Ik weet nog goed dat ik vorig jaar met mijn Makro-pas voor twee Blokker-filialen kerstpakketten stond af te rekenen. Hun bedrijf was failliet, dus: geen kerstpakket. Klaar. Punt.
Samen met wat andere zzp’ers hebben we toen toch pakketten geregeld. Geen strategie, geen beleidsstuk, geen communicatieplan. Gewoon een karretje, naar het schap, en voor tweeduizend euro de grootste dozen die we konden vinden. Als dank voor de inzet, ook al konden ze daarna hun hand ophouden bij ome UWV. Soms is het leven verrassend simpel.

Maar ja… wat als je geen tien mensen tevreden hoeft te houden, maar achttienhonderd?
Achttienhonderd medewerkers, waarvan je zeker weet dat er altijd een paar zijn met een uitgesproken, ongenuanceerde mening over het pakket. Te goedkoop. Te luxe. Te ongezond. Te duurzaam. Te weinig duurzaam. En waar is de glutenvrije optie?

Hoe je het ook wendt of keert: zo’n kerstpakket is een afspiegeling van je bedrijf. Het zegt iets. En als je er een zekere wauw-factor aan weet te geven, dan zijn er genoeg collega’s die dat trots naar buiten uitdragen. Gratis employer branding, zou je bijna zeggen.

Voor iedereen goed doen lukt niemand. Tenzij je het misschien doet zoals bij het bedrijf van mijn vader: een catalogus, een vast bedrag per medewerker — zeg 150 euro — en laat mensen zelf kiezen wat ze willen. Geen teleurstelling, geen gemopper bij de koffieautomaat, geen verhitte discussies over pannenkoekenmix.

Misschien is dat wel de grootste kerstles van allemaal.
Niet het pakket zelf, maar het gevoel dat je gezien wordt.
En nee, dat past niet in een doos. Maar het scheelt wél een hoop hoofdpijn.

De plek naast me is alweer even leeg maar het voelt alsof die leegte vandaag harder schreeuwt dan anders. Alsof de stilt...
11/12/2025

De plek naast me is alweer even leeg maar het voelt alsof die leegte vandaag harder schreeuwt dan anders. Alsof de stilte zich breed maakt in die autostoel en duidelijk wil maken dat ik hem kwijt ben, écht kwijt ben. Geen hand meer op mijn been, geen duim die zachtjes over mijn broek wrijft zoals hij altijd deed wanneer hij dacht dat ik te veel in mijn hoofd zat, geen “gaat het schat?” meer. Alleen de echo van herinneringen die als kleine speldeprikjes door mijn borst trekken terwijl ik ademhaal en eigenlijk iedere ademhaling te luid klinkt nu hij niet meer naast me zit. Vandaag rijd ik dus met hem naar mijn huis, of met wat er over is van hem, en hoe vreemd het ook klinkt, ik kijk steeds opzij om te controleren of de bus nog rechtop staat, want het voelt alsof ik hem anders voor de tweede keer kwijtraak.

Het tasje op de stoel naast me is te licht, het weegt niets, niets vergeleken bij het gewicht dat zijn lichaam ooit had wanneer hij half slapend tegen me aan viel op de bank, zijn hoofd op mijn schouder, zijn voeten onder mijn dijen, warm, aanwezig, volledig mens, en ik kan maar niet bevatten dat alles, echt álles wat hij was. Nu in een bus zit met hetzelfde grijze goedje dat ik vroeger uit de kachel schepte bij mijn ouders, en ik haat het woord ‘as’ omdat het zo hard klinkt, zo koud, zo mechanisch, alsof het niet gaat over een leven dat mijn leven heeft geraakt, maar over afval wat overblijft nadat iets is opgebrand.

Sander in zijn opgefraaide a***k, ik praat met hem onderweg, omdat die bus gevuld met zijn as het dichtste is wat ik nog kan aanraken. Ik voel me zo verdomd schuldig dat dit het is wat me rest, dat ik niet eens meer weet hoe zijn huid voelde zonder dat ik een soort fantoomgevoel moet oproepen in mijn vingers, alsof mijn lijf nog wel weet wat mijn hoofd is kwijtgeraakt. En soms wanneer het licht van een stoplicht even rood blijft hangen, sluit ik mijn ogen en zie ik hem weer naast me zitten. Zijn warme hand in de mijne, zijn duim die langzaam over mijn knokkels strijkt zoals alleen hij dat kon, en heel even denk ik dat als ik niet kijk, ik hem nog kan voelen, alsof hij net uit het zicht is.

Maar de werkelijkheid komt altijd weer terug, hard en rauw en genadeloos, dat hij nooit meer naast me zal zitten, dat er geen appjes meer komen. Geen foto’s van die hond die hij zo graag wilde, geen “ik mis je” meer, geen “ik hou van jou” in dat halve slaperige stemmetje dat hij had wanneer hij net wakker werd. Mijn hoofd probeert te accepteren wat mijn hart compleet weigert te erkennen: dat hij dood is, dat ik verder moet zonder hem, dat ik niet om mag draaien en hopen dat hij nog ergens wacht.

En nu staat hij dus op mijn schouw, een plek die ineens heilig voelt en tegelijkertijd ondraaglijk, want ik heb hem daar neergezet, ik heb hem gelaten waar hij nooit had horen eindigen, en iedere avond wanneer ik langs hem loop en mijn vingers even langs die koude bus strijken, hoor ik mezelf zacht zeggen: “kom schat, ga je mee naar bed,” precies zoals ik dat deed toen hij nog leefde, toen hij mokkend opstond omdat hij altijd te laat naar bed wilde en ik altijd te vroeg moe was, en dan trok hij me naar zich toe en zei: “ik ga wel mee, als jij al ligt,” en ik voel mijn keel dichtknijpen omdat dat nu nooit meer gezegd wordt, nooit meer gebeuren zal, nooit meer.

Mijn lichaam heeft het nog niet door, mijn lichaam blijft zoeken naar hem in kleine reflexen die ik niet kan stoppen, mijn hand schiet nog steeds naast me in het donker om de zijne te vinden, mijn voet zoekt zijn koude tenen omdat hij altijd klaagde dat ik koud was maar hij zelf echt geen graad warmer was. Mijn borst wacht op de druk van zijn hoofd wanneer hij zich tegen me aan vouwde, en iedere ochtend word ik wakker met die ene seconde waarin ik vergeet dat hij er niet meer is. Die ene seconde waarin mijn hart nog denkt dat het weer een gewone dag wordt, waarin hij misschien al beneden koffie zet of nog half onder de dekens ligt, en dan komt de klap, iedere ochtend opnieuw. Alsof rouw een wekker heeft die net zo hard slaat als een hart dat weigert te vergeten.

Maar er is dat kleine, breekbare stukje dag, die paar seconden tussen slapen en wakker zijn, waar hij nog leeft, écht leeft. Waar ik hem voel alsof hij nooit is weggegaan, zijn adem in mijn nek, zijn hand om mijn pols, zijn lippen tegen mijn slaap, en ik klamp me vast aan die seconde alsof ik anders uit elkaar val, alsof dat kleine stukje droom de lijm is die me bij elkaar houdt. Want daarna komt de dag, en in die dag is hij weg, en sta ik alleen, en moet ik de wereld in zonder hem terwijl alles in me schreeuwt dat mijn leven in tweeën is gebroken.

Misschien is dat wat liefde doet: ze laat een afdruk achter in je zenuwstelsel, een tastbare, fysieke herinnering die niet verdwijnt. Zelfs niet als het lichaam waar je van hield in rook is opgegaan, misschien blijft liefde achter in spieren, in reflexen, in adem. Misschien is dat waarom mijn hand nog steeds zijn hand zoekt, waarom mijn stem nog steeds zijn naam fluistert voordat ik ga slapen, waarom ik hem nog steeds meevraag naar bed ook al weet ik dat hij niet komt.

En misschien… heel misschien…
is dat wat me overeind houdt.
Dat er een deel van hem is dat niet tot as te reduceren valt,
een deel dat gewoon blijft, koppig, trouw, onverwoestbaar,
in mij.

Verdomme, hij liep vloekend door de gang te stekkeren, het ene go*******me nog harder dan het andere, alsof iedere echo ...
09/12/2025

Verdomme, hij liep vloekend door de gang te stekkeren, het ene go*******me nog harder dan het andere, alsof iedere echo zich vermenigvuldigde tussen de muren en recht mijn borst in dreunde, en terwijl ik hem observeerde, op veilige afstand, zag ik vooral een jonge man van amper dertig jaar oud die meer razernij dan richting had, een man die zo ontredderd keek dat ik meteen wist dat hier helemaal niemand controle had, ook hijzelf niet, en dat maakte het gevaarlijker dan welke vloek dan ook.

Ik loop twijfelend naar hem toe, mijn voeten zetten traag en weloverwogen passen, want ergens diep in mijn spieren zit nog altijd het geheugen van mijn tijd op NAH- en gedragsafdelingen, waar je leert dat één verkeerde meter naar voren het verschil is tussen escaleren en overleven; dus blijf ik staan op die veilige twee meter, net lang genoeg om weg te springen, net kort genoeg om niet weg te lopen. Achter het glas zag ik silhouetten, neuzen tegen het raam, deuren die dicht bleven, niemand die iets deed, behalve kijken hoe broeder Sjuul maar weer eens moest improviseren met de realiteit.

“Kan ik u misschien helpen?” vroeg ik, zacht maar duidelijk, en in de fractie dat hij opkeek, zag ik iets in zijn blik dat tegelijk verloren en dreigend was, alsof hij zelf niet wist of hij wilde vechten of instorten. Weer klonk het: verdomme. En in plaats van twee stappen terug te zetten, stak ik mijn hand naar hem uit, oprecht maar berekend, en zei: “Ik ben Juul, kan ik je misschien helpen?” Hij zei niets, helemaal niets, en dat niets was nog dreigender dan al het geschreeuw.
Dus veranderde ik van strategie, niet trekken, niet duwen, maar uitnodigen.
“Ik heb net koffie gezet, lust je ook een bakkie?” En ik wenkte hem zonder enige verwachting, terwijl ik bleef praten over niets en alles, zodat hij geen woorden hoefde te zoeken die hij toch niet had.

Ik liep zijdelings richting trap, nooit met mijn rug naar hem toe, mijn ogen vast aan zijn schouders gekleefd, want elke spanning in een spier kan het begin van een storm zijn, en de storm hing om hem heen als een elektrisch veld. Weer klonk er een verdomme, rauwer dit keer, maar hij liep wel mee, stap voor stap, richting koffieautomaat waar mijn handen trilden maar mijn stem niet.
Beneden tapte ik twee bekers, noemde waar de suiker stond, alsof dit allemaal doodnormaal was, alsof ik niet ondertussen de politieauto zag staan voor de deur, alsof ik niet voelde hoe mijn hartslag oversloeg toen de collega elders de deur open drukte en de agenten binnenkwamen. Jeppe verstijfde meteen, zijn ademhaling steeg, zijn ogen schoten alle kanten op, en ik wist: als zij nu iets verkeerds doen, ontploft hij alsnog.

Dus zei ik, luid en luchtig:
“Heren, lusten jullie ook een bakkie? We zaten net weer een beetje rustig te worden.”
Ik knipoogde overdreven, en liet mijn lichaam de spanning breken die zij per ongeluk meebrachten.
Toen de koffie op was, verdwenen de verdommes.
En toen ik vroeg: “Hoe heet je eigenlijk?” zei hij ineens heel zacht: Jeppe.
Achteraf bleek hij een bekende in de GGZ. Maar voor mij was hij gewoon een normaal mens dat even vastzat in zichzelf.

Toen hij uiteindelijk zelf de politieauto instapte, zakte mijn eigen lijf eindelijk in elkaar, alsof de adrenaline die me tot dan toe overeind hield ineens het lood uit mijn spieren trok.

Het kost me altijd even tijd om iemand niet als ‘gevaar’ te zien, hoe professioneel ik ook ben, hoe lang ik dit ook doe, er is een drempel die ik telkens opnieuw moet nemen, een drempel die je nooit helemaal kwijt raakt, maar die je leert dragen.
En uiteindelijk, ja uiteindelijk, lukt het me dan tóch altijd weer om de mens achter de storm te zien.

In de tijd dat ik nog half gevouwen in een werkauto zat, alsof ik mezelf elke ochtend in origami vouwde, reed ik door de...
07/12/2025

In de tijd dat ik nog half gevouwen in een werkauto zat, alsof ik mezelf elke ochtend in origami vouwde, reed ik door de wijk met het volume op st***je gehoorbeschadiging. Mijn collega's wisten meteen welke auto ik had, want met mijn twee meter zat ik ongeveer op de achterbank terwijl ik toch echt voorin hoorde te zitten. De spiegels stonden op een stand die meer geschikt was voor kabouters en de rugleuning kon alleen maar zover omhoog als het dak toeliet, dus lag ik praktisch horizontaal om geen deuk te veroorzaken in de gloed nieuwe auto’s van het bedrijf. De baas vindt dit vast een minder leuk detail, dus daarom tuf ik nu vrolijk verder in mijn eigen vertrouwde Peugotsiedosie, die tenminste niet huilt wanneer ik instap.

Maar dat was nooit het enige waardoor je kon zien dat ik had gereden. De radio stond altijd op , niet omdat de nieuwe Nederlandstalige herrie mijn smaak is, maar omdat daar die oude parels voorbij kwamen. Liedjes die roken naar s**g, pantoffels en een tijd waarin geluk nog uit een transistor kwam. Hanny, Willem Duyn, Frank & Mirella en Arne Jansen… muziek die je niet zomaar hoort, maar die je voelt.

Net zoals ik ooit mijn opa voelde in de verhalen van mijn moeder: hij op zijn krukje voor de koelkast, pantoffel tikkend tegen de koelkast in het ritme waardoor daar een kale plek zat. Dat soort pantoffels draag ik nu, alsof ik daarmee even met één teen in zijn wereld stap. En die liedjes? Die fluit ik soms nog steeds. Vaak tot ergernis van collega’s die om 06:50 hun hartslag met 40 punten zagen stijgen als ze instapten en de radio nog op max stond. Maar op een of andere manier hoorde het bij mij, bij mijn routes, bij de cliënten die me al van ver hoorden aankomen nog vóór ik op de bel drukte.

En soms, heel soms, zegt er eentje: “Hé! Dat is dat nummer!” En dan voel ik weer even hoe muziek door generaties heen kruipt. Zelfs Sander heb ik ermee besmet. Dat was misschien nog wel het mooiste, hoe we soms brullend door de stad reden, hij met zijn hoofd schuddend, ik zingend alsof ik auditie deed voor een slechte musical. “Mijn kijkdoos,” gierden we dan, altijd naar aanleiding van het verhaal van Truus. Truus bij wie ik standaard het nummer inzette zodra ik haar katheter moest wisselen. Niet mooi, nooit mooi, maar loeihard: “Truus mag ik voor een cent of tien je kijkdoos effe zien!” En dan lag ze dubbel, want dat mocht bij haar, bij haar kon dat. Lachen maakte haar los, lachen maakte haar even niet ziek, lachen maakte dat ze de katheter niet eens voelde. Het liedje blijft sindsdien ergens in mijn hoofd hangen, alsof het daar een kamertje heeft gehuurd. En Sander? Die kwam niet meer bij toen ik hem dat vertelde.

Truus kende Sander van de foto’s, van de verhalen, van de manier waarop mijn ogen altijd nét iets zachter werden als ik het over hem had. Nu denk ik dat ze ergens boven, allebei, Truus en Sander, op een wolk liggen te gieren wanneer ik weer eens half vals meeschreeuw met Willem Duyn op weg naar mijn werk.
Of met “Maar vanavond heb ik hoofdpijn,” omdat ja, Sander dat soms ook had na een dag vol klanten die met hun stralende humeur *kuch* in de winkel kwamen.

En dan heb je nog “Met de vlam in de pijp,” het nummer dat mijn moeder op haar crematie wil. Ze rookt niet, heeft er een hekel aan zelfs, maar ach, voor die laatste keer mag ze van zichzelf een keer roken.

Dan is er het “Liedje voor als ik er niet meer ben” van Robert Long, gedraaid op de uitvaart van Joke, waar ik meezong alsof zingen niet iets was wat je met stembanden doet, maar met liefde. En liefde is nooit vals, alleen luid. Dit jaar liet ik Joke los. Dit jaar liet ik Truus los. Dit jaar liet ik Sander los en nog heel veel meer mensen uit mijn omgeving. En toch neem ik ze elke dag mee, want hun liedjes bestaan in mij. Ik ben niet meer in die werkauto te vinden. Collega’s hoeven niet meer bang te zijn dat ze bij het instappen een auditie voor The Voice in hun gezicht geduwd krijgen. Maar ik? Ik zit nog steeds elke ochtend met een grote glimlach in mijn eigen auto, onderweg naar cliënten die mij die dag weer even laten voelen dat muziek, net als zorg, nooit écht stopt. Het speelt gewoon door, in alles wat je doet. En soms… zing je mee. Heel hard. Want sommige herinneringen verdienen volume.

Adres

Ameide

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Broeder Sjuul nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Delen

Share on Facebook Share on Twitter Share on LinkedIn
Share on Pinterest Share on Reddit Share via Email
Share on WhatsApp Share on Instagram Share on Telegram