27/02/2026
En dan zit ik hier aan de keukentafel. Het is stil in huis maar in mijn hoofd staat de lift nog steeds op zes.
Covid, wat je er ook van vind moet je zelf weten, ik schrijf op wat ik meemaak, heb respect en als je dat niet kan... Scroll dan lekker door.
Alles rook naar chloor, plastic en angst. Die brillen die altijd beslaan precies op het moment dat je iets moet zien. Ik was drieëntwintig. Drieëntwintig en ik kende het geluid van een SIT-oproep beter dan het geluid van mijn eigen ringtone.
SIT kamer 12. Geen geschreeuw, geen drama, gewoon strak uitgesproken. En bij die tonen weet iedereen, dit is rennen.
Mijn eerste nachtdienst daar, natuurlijk, alsof het universum dacht, kom maar jongen, we gooien je meteen in het diepe. Ik stond aan het bed en tikte alles in HIX, saturatie, pols, ademhaling en tal van andere gegevens, driftig, alsof sneller typen zou zorgen dat ik de situatie voor bleef. Mijn handschoenen plakten aan mijn handen, mijn mond was inmiddels gort en gort droog. Ik deed wat van me verwacht werd. Dat kan ik goed, doen wat er verwacht wordt.
Mee naar de IC. Links, nog een keer links en dan rechts de dienstlift in. Ik weet het nog precies toen wij boven kwamen stond daar de IC die overnam. Ik liep de box mee in...
Ik stond in een hoekje en probeerde niet in de weg te staan. Daar keek ik hoe de IC het overnam. Strakke stemmen, korte zinnen, tube, medicatie en gaan.
Geen dramatische muziek zoals in Gray's anatomy. Alleen het gepiep van monitors en dat zuigende geluid van het uitzuigapparaat. Dat geluid kruipt onder je huid.
Tot dan kende ik het alleen van televisie.
En ineens voelde ik het. Gewoon een traan die onder mijn bril vandaan over mijn wang liep. Tegelijk dat koude zweet op mijn voorhoofd, die dikke druppels die je voelt vallen. Mijn hart bonsde in mijn keel en ik dacht alleen maar, stel je niet aan. Je bent zorgverlener, doe normaal. Maar ik was ook gewoon drieëntwintig.
Je staat er, je doet wat je moet doen. Je kent de handelingen uit het boek als het voor de eerste keer ziet. Je weet de protocollen vaak wel. En toch ben je toeschouwer, het gevecht speelt zich af tussen lichaam en ziekte en jij staat ernaast met handschoenen aan.
Dat is het ergste, die machteloosheid, er zijn maar niet kunnen fixen. Niet kunnen zeggen, zo, opgelost.
Toen het klaar was draaide ik me om en liep de sluis in. Schort uit, handschoenen in de bak, mondkapje af. Dat moment dat je eindelijk weer je eigen adem ruikt. Gemengd met plastic en adrenaline. Ik stapte de koele gang op en daar kwam het pas echt binnen. Alsof iemand mijn borstkas dichtkneep.
Ik leunde tegen de muur. Heel even, alsof ik mijn veters moest strikken (ik draag klompen). Niemand die het zag, hoopte ik.
Misschien heb ik daar een grens gevoeld, geen instorting, geen groot drama maar wel een barstje.
Zo’n haarscheurtje dat je niet ziet maar dat er wel zit.
Ik zie die patiënt nog voor me, hij is me bijgebleven. Ik weet dat hij leeft, of nou ja toen... Maar soms moet ik nog even terug denken aan die man.