Broeder Sjuul

Broeder Sjuul Broeder Sjuul is een pagina waarmee ik een inkijkje geef in mijn werk als zorgverlener en als mens

This Is my Life, een blog over het leven van vandaag... het leven van mij als blogger maar ook het leven van iemand die zomaar over straat wandelt...

Voor alle studenten in de zorg:“En wat krijg jij eigenlijk voor je stage?” vraag ik terwijl ik nog net niet met m’n met ...
22/03/2026

Voor alle studenten in de zorg:

“En wat krijg jij eigenlijk voor je stage?” vraag ik terwijl ik nog net niet met m’n met mijn geduld in de kelder een steunkous over iemands enkel probeer te wurmen om het ding uit te doen.

“Eh… driehonderd euro per maand.”

Ik kijk op. “Bruto?!” “Ja…” zegt hij, met zo’n gezicht van: zeg alsjeblieft dat dit normaal is. Ik zucht, zo’n diepe, vermoeide, jarenlange-zorgervaring-zucht. “da’s nog geen 1 euro en 88 cent per uur. Daar koop je nog net geen drankje van op het terras.”

Hij lacht. “Tja, ik doe het voor de ervaring.” Ik gooi de steunkous in de hoek waar de wasmand staat en help mevrouw terug in haar orthopedische stappers. Maar in mijn hoofd ben ik nog bij die driehonderd euro. Terwijl hij zorgt, zweet, sjouwt, huilt, lacht, alles geeft. Net als wij, alleen dan zonder salaris.

Ik weet nog goed hoe dat voelde. Eerste stagedag: Doodzenuwachtig, bang om de tillift te laten omvallen of per ongeluk iemand z’n gebit te verwisselen omdat de oude garde je bang had zitten maken over een bak vol met gebitten die je moest poetsen. En toch ga je, want je wil zorgen, omdat je het verschil wil maken.

En da’s dus waar V&VN binnen komt fietsen, of nou ja binnen komt denderen. Want die zijn het zat. Net als ik, zeggen die: “Ho even. Stagiaires zijn geen gratis arbeidskrachten met een beetje begeleiding erbij. Ze zijn de toekomst van de zorg.” terecht! Want zonder hen sta ik straks met mijn beginnende hernia 32 bewoners te wassen in m’n eentje, op een afdeling zonder collega’s en waar verder nergens meer tijd voor is.

V&VN zegt hardop wat ik vaak mompel in de fietskelder: die stagevergoeding moet omhoog, punt! En dat roepen ze niet alleen in een WhatsAppgroepje met boze emoji’s, nee, ze zitten bij ministeries aan tafel. Ze maken beleid, ze lobbyen, ze schrijven, ze drukken.

En nog mooier: als leerling of stagiair mag je je gratis aansluiten bij V&VN. Gewoon, voor niks. Geen tientje per maand, geen klein gedrukte bu****it, gewoon: “Welkom in de club. Je hoort erbij.”

Ik zei het tegen die stagiair later op de gang. “Jongen, als je ergens vandaag nog wat goeds voor jezelf wilt doen, naast je boterham uit de broodtrommel van je moeder eten, meld je aan bij V&VN.”

Hij lachte. “Heb je aandelen of zo?”

“Nee vriend,” zei ik, “Maar ik geloof erin dat als we allemaal lid zouden zijn, we daadwerkelijk het verschil kunnen maken!”

Dus ja, gratis lid, een netwerk, inspraak, hulp. En mensen die voor je opkomen als de rest van de wereld even denkt dat je gewoon ‘dat ventje met dat naamkaartje’ bent.

Want jij bent méér dan dat. Je bent de toekomst en dat mag best iets waard zijn. Meer dan 1,88 per uur, toch? Gratis lid worden doe je hier:

https://www.venvn.nl/v-vn-studenten

Soms hoor ik een uitspraak die zich ergens diep in mijn hoofd vastzet. Zo eentje die blijft hangen, alsof iemand hem daa...
21/03/2026

Soms hoor ik een uitspraak die zich ergens diep in mijn hoofd vastzet. Zo eentje die blijft hangen, alsof iemand hem daar heeft neergelegd en daarna de deur zachtjes achter zich heeft dichtgetrokken. Je loopt weer verder, doet je werk, voert gesprekken, maar ondertussen blijft die zin ergens rondzingen. Deze uitspraak greep me. Niet alleen als zorgverlener, maar misschien nog wel meer als partner van iemand die ik heb verloren.

In mijn werk zie ik de dood vaker dan de meeste mensen. Het hoort bij het vak, al went het nooit helemaal. Je ziet mensen sterven, je ziet families instorten, en je ziet ook dat moment waarop een lichaam ineens gewoon… stil is. Dat blijft een vreemd moment. Want waar iemand eerst nog een mens was, met verhalen, herinneringen, liefde, grapjes en irritaties, ligt er ineens alleen nog een lichaam. Dat klinkt hard, maar het is wel wat ik zie. En misschien is dat ook waarom die uitspraak me zo raakte.

Ik geloof namelijk niet zo in hemel en hel. Niet in wolken waar mensen naartoe vertrekken om daar ergens boven ons verder te leven. Voor mij voelt het anders. Ik geloof dat mensen hier blijven. Niet letterlijk natuurlijk, maar in alles wat ze achterlaten. In herinneringen. In kleine gewoontes. In een liedje dat ineens pijn doet als je het hoort. In een geur, een plek, een zin die iemand altijd zei. Het lichaam sterft, dat zie ik met eigen ogen. Maar wie iemand was, dat verdwijnt niet zomaar. Dat blijft hier, tussen de mensen die van hem of haar hielden.

In mijn werk heb ik mensen zien instorten van verdriet. Echt instorten. Mensen die naast een bed door hun knieën zakken omdat hun wereld zojuist kleiner is geworden. Handen voor hun gezicht, adem die hapert, schouders die schokken van het huilen. En iedere keer weer voel je dat als zorgverlener. Soms sta je daar stil naast, soms leg je een hand op een schouder, soms zeg je helemaal niets. Want er zijn momenten waarop woorden simpelweg te klein zijn.

Ik weet ook hoe dat voelt, dat instorten. Want ik ben zelf ook ingestort van verdriet. Niet in een ziekenhuisgang of naast een bed, maar ergens op een moment dat niemand keek. Verdriet kan een mens breken. Dat weet ik inmiddels. Het kan je knieën week maken en je hart zwaar, alsof je een steen met je meedraagt waar niemand anders iets van ziet.

En toen hoorde ik dus die uitspraak. Simpel eigenlijk. Maar zo raak dat ik hem nooit meer ben vergeten. Iemand zei: “Doodgaan is eigenlijk hetzelfde als een station.” Degene die overlijdt stapt in de trein. Hij neemt plaats, misschien kijkt hij nog even uit het raam. En wij… wij blijven achter op het perron. We staan daar met z’n allen. Misschien zwaaien we nog even. Misschien roepen we nog iets. Misschien zeggen we helemaal niets omdat de woorden ergens vast blijven zitten in onze keel.

Dan gaan de deuren dicht. Heel langzaam begint de trein te rijden. Eerst bijna onmerkbaar, daarna steeds iets sneller. En daar sta je dan. Op dat perron. Met lege handen.

En toen kwam de vraag die erbij hoorde. Een vraag die me eigenlijk nog meer greep dan de uitspraak zelf. Wie heeft er nu eigenlijk het meeste verdriet? Wij, die achterblijven op dat perron? Of degene die in de trein zit en langzaam verder rijdt?

Ik weet het antwoord niet. Misschien bestaat dat antwoord ook niet. Maar die gedachte bleef bij me hangen. Want hoe groot mijn verdriet ook was toen ik iemand verloor, er zat nog iets onder dat verdriet. Iets dat eigenlijk nog veel groter was. Liefde. En herinneringen. Die momenten waarop je samen om iets stoms moest lachen. Dat ene gesprek dat je nooit meer vergeet. Of gewoon het gevoel dat iemand er was, zonder dat daar woorden voor nodig waren.

Soms, wanneer ik in mijn werk weer naast een bed sta en iemand zie vertrekken, denk ik weer even aan dat perron. Aan die trein die langzaam weg rijdt. En dan hoop ik stiekem maar één ding. Dat degene die vertrekt nog één keer door het raam kijkt. En ziet dat wij daar nog staan. Met tranen in onze ogen, ja. Maar ook met een hart dat vol zit met alles wat ze ons hebben gegeven.

Misschien is dat wel precies waarom het zo’n pijn doet om iemand te verliezen. Niet omdat iemand simpelweg weggaat. Maar omdat iemand zoveel heeft achtergelaten. Zo ontzettend veel. Dat je het bijna niet kunt dragen. En toch… doen we dat. Iedere dag weer. Omdat liefde blijkbaar sterker is dan afscheid.

Vanavond zat ik aan de keukentafel mijn werktas leeg te halen. Zo’n tas waar je alles in terugvindt wat je tijdens een d...
19/03/2026

Vanavond zat ik aan de keukentafel mijn werktas leeg te halen. Zo’n tas waar je alles in terugvindt wat je tijdens een dienst nodig hebt. Handschoenen, een pleister die ergens los rondzwerft, drie pennen waarvan er één misschien nog schrijft… en onderin een mapje met protocollen. Van die protocollen die je ooit geleerd hebt, maar waarvan je diep van binnen hoopt dat ze gewoon netjes in die tas blijven liggen. Eentje daarvan is het blow-out protocol. Alleen de naam klinkt al alsof er iets uit een actiefilm gaat gebeuren. En eerlijk is eerlijk… als het gebeurt, is het ook heftig. Een blow-out is een plotselinge, massale bloeding die kan optreden bij bijvoorbeeld een kwaadaardige hoofd-halstumor. De tumor kan in een groot bloedvat groeien en als dat vat het begeeft, ontstaat er een explosieve bloeding. In de praktijk betekent dat bijna altijd dat het een fatale bloeding is.

Niet echt een onderwerp voor bij de koffieautomaat dus. Maar in de zorg ontkom je er soms niet aan om ook dit soort dingen eerlijk te bespreken. Vaak weet een patiënt namelijk al dat dat risico bestaat. En de familie meestal ook. Dat klinkt zwaar, maar het voorkomt paniek als het ooit gebeurt. Want geloof me… zo’n moment is voor iedereen in de kamer ingrijpend. Daarom wordt er vooraf nagedacht. De patiënt ligt vaak op een eenpersoonskamer. Op de kamer liggen donkere handdoeken klaar. Handschoenen liggen binnen handbereik. En er staat een klein bakje met medicatie klaar: midazolam, een spuit en een naald. Niet om iemand te genezen, maar om iemand rust te geven als het nodig is.

Ik moest daar laatst aan denken door een meneer die ik een tijd in zorg had. Zo’n man die wist dat zijn lichaam langzaam afscheid aan het nemen was, maar die daar met een soort droge humor naar keek. Ik kwam binnen en hij zei meteen: “Broeder, heb je weer koffie nodig?” Dat soort mensen draaien de rollen altijd om. Ik kom voor hem zorgen, maar hij doet alsof hij de gastheer is. We zaten een beetje te praten. Over voetbal. Over het weer. Over het feit dat de koffie in zijn flatgebouw smaakte alsof iemand er een sok in had uitgeknepen. En toen kwam het gesprek vanzelf op het onderwerp waar niemand echt graag over praat. Het einde.

Ik legde hem rustig uit wat een blow-out kan zijn. Gewoon eerlijk, zonder dramatische woorden. “Als het ooit gebeurt,” zei ik, “dan ga ik niet rennen als een kip zonder kop. Dan blijf ik gewoon bij u.” Hij keek me een paar seconden aan en knikte. “Goed plan,” zei hij. “Dan ben ik tenminste niet alleen.” En dat is eigenlijk precies waar dat protocol over gaat. Als zo’n bloeding ontstaat, blijft de zorgverlener bij de patiënt. De bloedende plek wordt afgedekt met donkere handdoeken, zodat het minder schokkend oogt voor patiënt en familie. Ondertussen wordt een collega gealarmeerd die de arts belt en de familie opvangt.

Als er verstikkingsgevaar of veel onrust ontstaat, kan midazolam intramusculair worden toegediend. Dat werkt meestal binnen vijf tot tien minuten en zorgt ervoor dat iemand rustig wordt. Geen medische heldendaden dus. Gewoon rust bewaren. En vooral: iemand niet alleen laten.

Na zo’n gebeurtenis stopt het werk trouwens niet. Er is nazorg voor de familie, maar ook voor de zorgverleners die erbij waren. Want hoe professioneel je ook bent… sommige momenten blijven gewoon een tijdje bij je hangen. Die meneer keek me een keer aan en zei: “Als ik ga, wil ik dat jij erbij bent.” Ik zei: “Dat kan geregeld worden. Maar dan moet u wel eerst betere koffie regelen.” Hij moest lachen. Zo hard dat zijn pomp begon te piepen.

En misschien is dat wel het gekke aan dit soort protocollen. Ze gaan over iets wat verschrikkelijk klinkt. Maar uiteindelijk gaan ze niet over bloed. Ze gaan over er zijn. Een stoel bij het bed. Een hand vasthouden. Rust bewaren. En als het nog even kan… nog één slechte grap maken. Dat is zorg.

Oeh er staat weer een stukje van mij op Arts en Auto.Mijn cliënt Henk, voormalig automonteur, keurt mijn nieuwe auto.Bin...
18/03/2026

Oeh er staat weer een stukje van mij op Arts en Auto.

Mijn cliënt Henk, voormalig automonteur, keurt mijn nieuwe auto.
Binnen 30 seconden heeft hij al drie mankementen gevonden.
Volgens hem zit de choke verkeerd, schakelt de automaat niet goed en is de handrem “een belediging voor de autotechniek”.

Er is alleen één klein detail…

Henk heeft dementie.

Maar geloof me: een automonteur blijft een automonteur.

Helemaal lezen?
https://www.artsenauto.nl/een-rondje-met-de-automonteur/

Vanavond zit ik aan de keukentafel. Mijn hoofd draait nog een beetje na van de dag. Vanmiddag had ik namelijk een interv...
16/03/2026

Vanavond zit ik aan de keukentafel. Mijn hoofd draait nog een beetje na van de dag. Vanmiddag had ik namelijk een interview met een studente voor haar scriptie. Gewoon via Teams, tussen twee routes door. Ik zat in mijn witte jas aan de keukentafel, zij met haar laptop en koptelefoon aan de andere kant van het scherm. Het gesprek begon met een zin waar ik toch even om moest lachen. “Wauw… ik blijf het gek vinden om een bekende influencer te spreken.”

Influencer. Het is een woord dat ik de laatste tijd vaker hoor. En ergens snap ik het wel. Mijn verhalen als Broeder Sjuul gaan wekelijks langs duizenden schermen, soms honderdduizenden, af en toe zelfs miljoenen. Dat blijft een gek idee als je bedenkt dat de meeste stukjes gewoon ’s avonds aan de keukentafel ontstaan, na een dienst in de zorg. Maar influencer? Dat voelt toch niet helemaal passend.

Mijn loonstrook zegt eigenlijk genoeg. 3399 euro per maand. Exclusief toeslagen. Voor 32 uur werken in de zorg, gewoon van mijn werkgever. Geen sponsorcodes, geen betaalde posts, geen reclame. Sociale media is voor mij vooral een uit de hand gelopen hobby. Eentje die me eerlijk gezegd vaker geld kost dan oplevert. Website, foto’s, hosting, dat soort dingen. Maar als ik daardoor honderd nieuwe leerlingen voor de zorg weet te enthousiasmeren, dan vind ik dat eigenlijk een prima investering.

Tijdens het gesprek keek ze me een beetje vragend aan. “Maar je hebt toch wel invloed?” Ja… misschien is dat wel waar. Niet omdat ik dat zo graag wil, maar omdat ik simpelweg schrijf over wat ik zie. Over het echte werk. Over de momenten die je niet in protocollen of beleidsstukken terugvindt.

Als ik iets niet begrijp, stuur ik gewoon een appje. Naar iemand bij een zorgverzekeraar. Of iemand van de IGJ. Soms iemand van het ministerie van Volksgezondheid. Soms een arts, soms een verpleegkundige, soms een helpende die al dertig jaar hetzelfde rondje loopt. Niet omdat ik belangrijk ben, maar omdat ik nieuwsgierig ben. Omdat mensen in de zorg vaak verrassend graag uitleggen hoe dingen werken.

Maar uiteindelijk begint mijn dag nog steeds gewoon in een badkamer bij iemand thuis. Met een washand (nu even tijdelijk niet). Met stoom op de spiegel. Met iemand die zegt: “Jongen, draai het water eens wat warmer, mijn botten kraken vandaag.” Daar gebeurt het echte werk. Niet op Facebook, niet op Instagram, niet op TikTok. Gewoon daar, tussen de geur van zeep en het geluid van een rollator op tegels.

Misschien is dat ook wel waarom mensen die verhalen lezen. Omdat ze voelen dat ze echt zijn. Ik schrijf geen handleidingen en geen adviezen. Ik schrijf gewoon wat ik zie. De stilte in een woonkamer waar iemand net gestorven is. De lach van een mevrouw van tweeënnegentig die me snotneus noemt. De hand van een zoon die voor het eerst zijn vader moet loslaten.

Als dat invloed is, dan is het misschien dit: dat mensen even stilstaan. Even denken: oh ja… zo ziet het leven er dus ook uit. Niet perfect, niet gefilterd, gewoon echt.

En misschien besluit ergens iemand daardoor om de zorg in te gaan. Of om morgen wat liever te zijn voor zijn moeder.
Als dat de invloed is waar ze het over hebben, dan is influencer misschien toch niet helemaal het juiste woord.

Ik ben gewoon Broeder Sjuul.
Een witte jas met een hobby.
En blijkbaar lezen er af en toe wat mensen met me mee.

Je hebt deze week niks van mij gelezen…Dat klopt. Niet omdat ik ineens in retraite ben gegaan of een gelofte van digital...
14/03/2026

Je hebt deze week niks van mij gelezen…
Dat klopt. Niet omdat ik ineens in retraite ben gegaan of een gelofte van digitale stilte heb afgelegd. Nee, mijn laptop heeft besloten dat het mooi geweest is.

En niet zomaar een laptop hè. Nee. Zo’n veel te dure gamingbak waar je normaal gesproken een hele wereld kan renderen... Waar het op slaat? Weet ik ook niet, ik gebruikte het ding niet voor Games.

Wie het logo herkent weet genoeg: daar staat ongeveer een maandsalaris aan elektronica te knipperen op mijn bureau.
Alleen… momenteel knippert er vooral niks.
Het ding doet ongeveer half wat hij moet doen. De rest van de tijd kijkt hij me aan met dat ROG-logo alsof hij wil zeggen: “Succes ermee vriend, vandaag werk ik niet.”

En laat ik eerlijk zijn: ik heb een veel te krachtige laptop voor wat ik ermee doe. Het is een beetje alsof je een hoofdkussen per vrachtwagen vervoert. Kan prima. Is alleen totaal overdreven.
Maar goed, wat het kreng mankeert? Geen flauw idee.
Ik ben met mensen prima... Maar een laptop?

Daar eindigt mijn medische kennis ongeveer bij:
“Heeft u al geprobeerd hem uit en weer aan te zetten?”
Vanavond hoop ik een vervangende laptop te lenen, zodat Broeder Sjuul weer een beetje kan typen.

En maandag gaat mijn eigen laptop naar de ICT-dokter.
Hopelijk met een betere prognose dan:
“We hebben alles geprobeerd, maar hij bleef maar P**F zeggen.”

09/03/2026

Heey ik wil je bedanken!

Aan het begin van een dienst hoor je het vaak al. Zo’n stem ergens op de gang:“Sjuul! Kun je even komen!”En dan denk ik ...
06/03/2026

Aan het begin van een dienst hoor je het vaak al. Zo’n stem ergens op de gang:
“Sjuul! Kun je even komen!”
En dan denk ik al: even komen…
Dat is meestal zorgtaal voor: er staat iemand met een natte sok, een los pleistertje of een televisie die niet verder wil dan SBS6. Kijk, laat ik het meteen duidelijk zeggen. Je maakt mij de p*s niet lauw!

Ik vloek als een Rotterdamse havenarbeider als het nodig is, maar rennen? Dat doe ik alleen voor twee dingen: assistentie oproepen of een reanimatie. Voor de rest kan de hele tent ontploffen, maar ik ga echt niet harder lopen. Al staat heel de kiet in de hens. Serieus!

Zie je het voor je? Ik ben honderd en kuch kilo. Als ik begin te rennen, dan is dat geen sprint… dat is een natuurverschijnsel. Het lijkt alsof er een beamerscherm in 4D voorbij komt razen. Met bijbehorende trillingshinder. Kopjes rinkelen in de kast. De planten beginnen spontaan te beven. En ergens verderop roept een cliënt:
“Is dat een aardbeving of komt de broeder eraan?”

Het ergste is nog dat ik er zelf ook niet elegant uitzie. Als ik ren, gaan mijn armen alle kanten op. Mijn sleutelbos rammelt als een kudde koeien met bellen. Mijn naamplaatje slaat tegen mijn borstkas alsof het probeert te ontsnappen.

En ondertussen hoor je achter me collega’s roepen:
“Hij gaat! Hij gaat!”
Alsof er een zeldzame walvis is gespot. Maar goed… dat gebeurt dus zelden. Want meestal trek ik gewoon één wenkbrauw op. Ik loop rustig naar de medicatiekast. Open het voorraad hok. Pak mijn spullen.
En dan ga ik doen wat gedaan moet worden. Rustig op mijn tempo!

Want paniek in de zorg is net als een scheet in een lift. Eén iemand begint… en binnen drie seconden heeft iedereen er last van.

Ik heb ooit eens een collega gezien die hysterisch door de gang rende omdat een cliënt “niet reageerde” op de stem uit het bellen systeem. Iedereen erachteraan natuurlijk. Alarmknop, verpleegkundige, half gebouw op stelten.

Bleek die man gewoon zijn gehoorapparaat uit te hebben. Hij zat er rustig bij en zei: “Wat een drukte voor een woensdagmiddag.”
Dat bedoel ik dus. Maar… en dat is het mooie van dit vak. Als een collega roept dat ze me nodig heeft? Dan ga ik! Als iemand blauw ligt en de monitor piept alsof het ding bezeten is? Dan ren ik!

En dan zie je dus ineens dat zeldzame natuurverschijnsel. Die honderd en kuch kilo broeder die door de gang galoppeert. BONK. BONK. BONK.

De medicijnkar schudt. De ramen trillen.
En ergens fluistert een cliënt tegen de ander: “Volgens mij vergaat de wereld”

En dan denk ik altijd maar één ding.
Voor de rest van de wereld kan de pleuris uitbreken. Mag de hele tent op zijn kop staan. Mogen mensen in paniek rondrennen.
Maar mij? Mij maak je de p*s niet lauw.Behalve als iemand roept:
“Sjuul, hij ademt niet meer!”
Dan… dan ga ik rennen.
En geloof me, dat is een komisch gezicht

Ja ze hebben me deze week in laten vliegen naar Friesland en vandaag kreeg ik ‘m binnen hoor op afdeling revalidatie en ...
04/03/2026

Ja ze hebben me deze week in laten vliegen naar Friesland en vandaag kreeg ik ‘m binnen hoor op afdeling revalidatie en herstel. Zo’n echte Oer-Fries. Zo eentje die met zijn kont tegen de Hollandse kribbe aan blijft staan, rechtop, stijf in de heupen, stug in de woorden. ABN? Dat is voor toeristen, volgens hem. En als je denkt dat je Fries wel een beetje kunt volgen omdat je vroeger de De flier is fan Jim hebt gezien… nou, vergeet het maar.
Ik kom binnen, steek m’n hand op en zeg:
"Goedemorgen meneer, ik ben Sjuul, ik kom u helpen vandaag."
Hij kijkt me aan alsof ik net een haring in z'n koffie heb gedoopt en bromt:
“Ja jong, Jo binne net von jirre, hè?”

Ik glimlach, geen idee wat hij net zei, maar hij zei het met zo’n mooie diepe basstem dat ik het bijna op Spotify wil zetten onder "Friese Mannenfluisteringen Vol. 1". Dus ik knik.
“Ja klopt. Ik kom uit Rotterdam.”
Hij lacht. En zegt iets wat klonk als:
“Ût rotterdam komt nog gjin goeie hûn”
Ik vermoed dat het over een hond ging. Of over mijn kapsel, geen idee.

Ik probeer een gesprek te voeren terwijl ik zijn steunkousen wil vervangen. Elke zin die hij uitspreekt klinkt als een cryptisch raadsel. Op een gegeven moment roept hij iets waar ik maar drie woorden van versta: “moarns, fytse en stront”.
Ik vraag: “Wilt u even herhalen wat u zei?”
Hij rolt met zijn ogen.
“Jongesjonge, dy jonge ferstiet der gjin r**t fan!”
Ik lach en zeg: “Nee klopt, ik ben hier voor de zorg, niet voor een taalcursus Fries Niveau C1.”
Maar hij vindt me wel aardig. Want als ik met zijn rug bezig ben, bromt hij iets zachter:
“Do bist in bêste jong… mar do praat as in sânhûn mei kiespine.”
Ik zeg: “Ik hoop dat dat iets aardigs is?”
Hij: “No, dat soe kinne.” En knipoogt.

Dus óf hij vindt me een topzorgverlener, óf hij heeft net gezegd dat ik praat als een aangereden postduif. Ik gok op het eerste, want hij biedt me daarna een stuk droge koek aan die eruitziet alsof het in 1984 voor het laatst ademhaalde.
De grap is, hij blijft maar praten. In dat wonderschone, onbegrijpelijke Fries. Alsof we oude vrienden zijn. En ik knik, en hummm af en toe, en op het juiste moment zeg ik “Jaaa joh…” of “Och, meen je niet…”
Maar halverwege een verhaal over zijn overleden koe, althans, dat denk ik, het kan ook zijn vrouw zijn geweest, gooit hij er ineens iets in als:
“En doe’t se dêr stie, op ’e dyk, mei dy grutte tieten…”

En dan weet ik het zeker:
Ik ben of in een necrofilie-anekdote beland, óf deze man heeft een heel innige relatie gehad met zijn melkvee.
Bij het afscheid pakt hij m’n hand stevig vast, trekt me naar zich toe en fluistert met z’n shag-stem:
“Ik ha leafer dei, dat jonkje van juster zit alinnig mar op sien telefoan.”
Ik antwoord: “Dat kan ik helaas niet verstaan, maar het klinkt alsof u me wel weer wil zien.”
Hij knikt.
Friezen. Je verstaat ze voor geen meter.
Maar als je goed kijkt, ja dan versta je ze aan de pretlichtjes in hun ogen!
En dat is genoeg.

De lente is gevoelsmatig weer begonnen... Dus Broeder Sjuul kuijert en fietst we weer vrolijk op los...Ik moet alleen no...
03/03/2026

De lente is gevoelsmatig weer begonnen... Dus Broeder Sjuul kuijert en fietst we weer vrolijk op los...

Ik moet alleen nog wel een naam voor mijn fiets verzinnen. Het moet wel een mannen naam zijn...

Marc (mijn vorige fiets) had een kleinbeetje een 'dark humor' gedachtengoed.

Dus als jullie nog leuke ideeën hebben? Ik hou me aanbevolen.

Tinkywinky, Toos, Fikkie, ons Grad, Pietje, Tinus, Beppie, Vliegtuig, Straaljager en Marc vallen af...

Oowh en voor de dark humor lezers, Sander, omdat ik er op rijd mag ook niet 🤦... Ik waarschuw maar vast 🤣

Adres

Ameide

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Broeder Sjuul nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Delen

Share on Facebook Share on Twitter Share on LinkedIn
Share on Pinterest Share on Reddit Share via Email
Share on WhatsApp Share on Instagram Share on Telegram