Broeder Sjuul

Broeder Sjuul Broeder Sjuul is een pagina waarmee ik een inkijkje geef in mijn werk als zorgverlener en als mens

This Is my Life, een blog over het leven van vandaag... het leven van mij als blogger maar ook het leven van iemand die zomaar over straat wandelt...

“Het is maar één vraag tijdens de intake… en ineens lijkt het alsof ik heb gevraagd waar de familie de erfenis verstopt ...
22/04/2026

“Het is maar één vraag tijdens de intake… en ineens lijkt het alsof ik heb gevraagd waar de familie de erfenis verstopt heeft.”

Serieus. Ik zit daar gewoon, kopje koffie, intakeformulier op schoot… en dan stel ik ’m:
“Heeft u nagedacht over reanimatiebeleid?”

En BAM.
Sfeer weg, ogen alle kanten op, partner die ineens woordvoerder wordt.
Ergens uit de paniek komt standaard: “Ja hoor, gewoon alles doen!”
Alsof het een meerkeuzevraag is. Alsof je punten krijgt voor het ‘juiste’ antwoord.
Maar eerlijk?

We hebben het hier niet over extra slagroom op je cappuccino.

We hebben het over gebroken ribben, IC-opnames en een leven dat er daarna heel anders uit kan zien, of juist niet? Misschien wil je dat er niks gebeurt en dat is oké. En dat verschil… dat zit ’m in het gesprek dat we te vaak níet voeren en dat snap ik ook wel!

Niemand zit te wachten op een gezellig praatje over doodgaan tussen de beschuit en de thuiszorgmap. Maar het alternatief? Dat is beslissen in paniek, op het slechtst denkbare moment.
En geloof me… dat wil je niet.
https://www.artsenauto.nl/reanimeren-of-niet-de-stilte-die-te-vaak-blijft-hangen/

Deze week sprak ik een geneeskundestudent. Waarom? Dat doet er niet toe. Je komt ze soms gewoon tegen, in het wild bijna...
15/04/2026

Deze week sprak ik een geneeskundestudent. Waarom? Dat doet er niet toe. Je komt ze soms gewoon tegen, in het wild bijna gewone mensen. Gewone mensen, ook zij. We raakten aan de praat en ik vertelde dat ik de laatste tijd weer zat met die vraag: wat als een cliënt onder je huid kruipt? Dat je het mee naar huis neemt. Dat je hoofd ’s avonds niet stil wordt. Ze zei: “Ja, maar wij hebben een veel hogere turnover, ik heb helemaal geen band met mijn patiënt.” Ik vroeg haar of ze in de spreekkamer zat, of bij slecht-nieuwsgesprekken. ‘Nee’ en ik moest van binnen een beetje glimlachen. Niet gemeen, meer… herkenning.

Want die witte jas, die ken ik. Die kan je afschermen. Ik heb er zat zien staan naast bedden waar werd verteld dat er niets meer te doen was. Ik heb gezinnen uit elkaar zien vallen in één gesprek. En die arts? Die loopt daarna de kamer uit, rechtop, professioneel, maar ook die heeft er later soms last van. Maar als je oplet, zie je het toch. In die kleine dingen. Een blik die wegschiet, een knikje dat net te snel komt. Ik zag het ook bij Sander, de arts buiten het gesprek en de arts ín het gesprek… dat zijn twee verschillende werelden. Ik herken het, van mijn eigen werk. De geheimtaal binnen de zorg die voornamelijk bestaat uit non-verbale communicatie. Als patiënt zie je het niet, als zorgverlener herken je het als je weet waar je op moet letten.

Misschien is dat wel waarom die vraag me nu zo bezighoudt. Omdat die afstand er niet meer is. De muur tussen mij en de cliënt is weg, gesloopt en vervangen door een flinterdunne lijn. Misschien omdat ik inmiddels weet wat er aan de andere kant zit, wat familie voelt, wat verlies doet. Dus die glimlach naar haar? Die was niet om haar. Die was omdat ik dacht: je bent er nog niet en dat is oké. Maar die patiënten onder je huid… die komen nog wel. En misschien, heel misschien, denk je dan terug aan die ene broeder die je vroeg: “Hoe ga je ermee om als ze je niet meer loslaten?”

Ik zat dus aan mijn keukentafel, laptop open, koffie koud geworden, schouders opgetrokken tot ergens halverwege mijn ore...
12/04/2026

Ik zat dus aan mijn keukentafel, laptop open, koffie koud geworden, schouders opgetrokken tot ergens halverwege mijn oren. Stageopdracht. Richtlijnen in de zorg. Klinkt heel volwassen. Heel professioneel. Heel “ik ben bijna klaar met mijn opleiding”.

In werkelijkheid zat ik al drie kwartier te googelen op: actuele richtlijn wondzorg betrouwbaar echt nieuwste versie help. En hoe langer ik zocht, hoe minder ik vond. Of nou ja, ik vond van alles, pdf’jes uit 2009, powerpoints van een congres in Assen en een richtlijn die “concept” was. Concept, alsof ik mijn cliënt ga vertellen: “We gaan het vandaag conceptueel behandelen.”

Ik werk al jaren met Vilans, lees onderzoeken van ZonMw, gooi termen als evidence based practice eruit alsof ik ermee geboren ben. Maar op zo’n avond voel ik me gewoon een verdwaalde stagiair met wifi.
En toen. Alsof iemand een TL-buis boven mijn hoofd aanknipte. Blijkt dus dat V&VN een richtlijnendatabase heeft. Gewoon, een database, met zoekfunctie, filters, alles bij elkaar.

Ik sta al jaren in de zorg. Ik ren voor alarmeringen, ik overleg met huisartsen, ik voer palliatieve gesprekken… maar dat dit bestond? Geen idee. Had me dit veel gescheeld? Ja, ontzettend veel. Ik voelde me even die cliënt die al weken moppert dat zijn afstandsbediening het niet doet, om er vervolgens achter te komen dat er gewoon geen batterijen in zitten. Ik klikte op die database en daar was het, wondzorg, palliatieve zorg, diabetes. Alles netjes gesorteerd, geen schimmige downloads, geen dertien tabbladen open. Gewoon overzicht, rust.

Ik moest er bijna om lachen. Hardop, alleen aan die tafel achter die laptop. Daar zat ik dan. De broeder die altijd roept dat je moet samenwerken, moet afstemmen, moet gebruikmaken van bestaande kennis. En zelf drie avonden lopen ploeteren alsof ik in 1998 met een inbelverbinding zat.

En het mooiste V&VN heeft meer van die handigheidjes? Studenten kunnen gewoon gratis lid worden, gratis. Via dit linkje ben je binnen een paar minuten gratis lid: https://www.venvn.nl/v-vn-studenten

Ik betaal zonder nadenken voor koffie to go, voor een extra notitieboek dat ik toch niet gebruik, maar dit had ik dus al die tijd gewoon kunnen hebben. Ik zie mezelf al bij mijn stagebegeleider zitten. Serieus gezicht. “Voor deze opdracht heb ik gebruikgemaakt van de richtlijnendatabase van V&VN.” Terwijl ik diep van binnen denk: ja hallo, dat had ik vorige week ook al kunnen doen als ik niet zo eigenwijs was geweest.

Het is ook typisch iets voor mij. Eerst zelf het wiel uitvinden. Dan drie keer vloeken, dan pas ontdekken dat er al een compleet wagenpark klaarstaat.
Maar goed. Les geleerd.

Het rouwen gaat me steeds beter af.Dat is een zin waarvan ik een paar maanden geleden dacht: die ga ik nooit hardop durv...
09/04/2026

Het rouwen gaat me steeds beter af.
Dat is een zin waarvan ik een paar maanden geleden dacht: die ga ik nooit hardop durven zeggen. Alsof je iemand tekortdoet als je toegeeft dat het… iets minder zwaar wordt.

Maar het is wel zo! Ik kan weer wassen zonder dat mijn hoofd alle kanten op schiet. Ik krijg weer grip. De spooksels in mijn hoofd worden zachter, minder luid, minder aanwezig.

En geloof me, dat is niet vanzelf gegaan. Zonder therapie had ik hier echt nog niet gestaan. Het heeft me alles gekost wat ik had om weer een beetje overeind te krabbelen. Maar ergens, heel voorzichtig, ontstaat er weer iets wat lijkt op vertrouwen. Vertrouwen dat ik hier doorheen kom.

Ik ben er nog niet, verre van zelfs. Ik weet dat ik nog honderd keer een stap terug ga doen. Dat er dagen gaan zijn waarop alles weer instort alsof iemand de stekker eruit trekt. Maar er zijn nu ook dagen waarop ik ademhaal en denk: hé… ik ben er.

Werk draait weer, thuis draait weer. Niet perfect, maar het draait. En langzaam durf ik weer vooruit te kijken. De opleiding weer oppakken. Heel rustig, geen sprint, maar stap voor stap. En als het moet, kruipend naar de eindstreep.

Een paar dagen geleden was er een mijlpaal.
Zes maanden zonder Sander.

En ergens besefte ik me… als we met ruzie uit elkaar waren gegaan, had ik deze dag waarschijnlijk genegeerd. Pizza besteld, Netflix aan, klaar. Maar dit is een soort amputatie met een botte bijl.

Dus ik blaas beneden zijn kaarsje uit en zeg, zoals altijd:
“ik ga naar bed, ga je mee?”

Boven zie ik zijn pantoffels staan. Zijn boek ligt er nog. En die koala… met zijn shirt aan. Ik loop ernaartoe, druk hem tegen me aan en ruik hem even. Voor ik het weet lig ik op bed, pratend tegen een knuffel alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Tranen, snot, alles erop en eraan.

Dus ik denk: kom op, even normaal doen.
Ik loop naar de badkamer. Spoel mijn gezicht af, en poets mijn bakkes. Haal diep adem en loop in gedachten terug naar mijn slaapkamer...

…en daar zit dus iemand op bed.

Mijn hart stopte. Echt. Vier seconden lang dacht ik: dit is het, dit is hoe ik eindig. In pyjama, vermoord door een inbreker.

Totdat mijn brein, eindelijk, heel rustig zegt:
“…het is Sander zijn koala.”

Rouwen is echt een achtbaan.
Maar blijkbaar ook een horrorfilm. Met pluche figuranten.

Toch heb ik daarna wel heel hard gelachen!

De gordijnen zijn half dicht als ik binnenkom. Het ruikt naar koffie van gisteren en iets zurigs wat ik niet helemaal ka...
01/04/2026

De gordijnen zijn half dicht als ik binnenkom. Het ruikt naar koffie van gisteren en iets zurigs wat ik niet helemaal kan plaatsen. Op de tafel in de keuken staat een bord met een boterham. De korst is hard geworden. De margarine glimt dof in het schemerlicht.

Hij ligt op zijn zij, wakker en met heldere ogen.
“Goedemorgen,” zeg ik, iets te opgewekt misschien. Hij knikt naar me. “Ik heb besloten te stoppen.”

Ik trek een stoel naar het bed. Het schuift schurend over het laminaat. In mijn hoofd schieten zinnen voorbij: Heeft u pijn? Bent u somber? Zullen we de huisarts bellen? Maar ik stel ze niet meteen. Eerst maar eens kijken.
“Waarmee?” vraag ik. “Met eten, met drinken, met dit.” Hij gebaart naar zijn lichaam alsof het een jas is die te zwaar is geworden.
Het euthanasieverzoek is vorige maand afgewezen. Ik was er niet bij, maar ik heb het verslag gelezen. Zorgvuldig, afgewogen en niet voldaan aan de criteria. Geen uitzichtloos lijden in juridische zin.

Maar hier, in deze kamer, voelt dat anders. “Ik ben klaar,” zegt hij.
Ik hoor mezelf vragen of hij het met zijn dochter heeft besproken. Dat heeft hij. Ze komt straks. Hij heeft alles op papier gezet. Zijn uitvaartwensen liggen in een map met blauwe tabbladen.

Mijn hand ligt op de bedrand. Ik voel de ribbels van het hout. Ik zeg dat ik het moeilijk vind, dat ik er wil zijn en dat ik hem niet alleen laat.
Dag twee is zijn mond al droog. Zijn tong plakt aan zijn gehemelte. Ik doop een gaasje in water en strijk langs zijn lippen. Hij sluit zijn ogen bij elke beweging. “Dank je,” fluistert hij.
Zijn dochter zit aan de andere kant van het bed. Ze houdt zijn hand vast, geen verwijt, geen discussie. Ik zie alleen tranen die ze steeds met haar mouw wegveegt.
In mijn buik blijft het schuren. Alles in mij is gewend om tekorten aan te vullen. Om in te grijpen, om te redden wat er te redden valt en nu bewaak ik dat hij geen dorstlijden heeft. Dat eventuele onrust op tijd wordt opgevangen. Dat de pijnstilling goed staat.
Dag vijf verandert de kamer. Het gevoel veranderd, zijn stem is zachter. Hij slaapt meer, als hij wakker wordt, kijkt hij me lang aan. “Het is goed zo,” zegt hij.
Ik knik en mijn keel voelt dik. We draaien hem voorzichtig op zijn zij. Schone lakens, een beetje zalf op de hielen. Kleine handelingen die groot voelen. Zijn ademhaling wordt onregelmatig, stiltes tussen de teugen lucht.
Ik sta naast het bed als het gebeurt. Geen spektakel. Geen laatste woorden. Alleen een uitademing die niet meer gevolgd wordt door een nieuwe inademing.
Zijn dochter drukt haar voorhoofd tegen zijn hand. Daarna controleer ik de pols, kijk naar de klok, noteer de tijd voor als de arts zo komt.

En terwijl mijn gedachten gaan naar die pil van Drion, die zoveel stof op deed op waaien, denk ik aan alle keren dat ik een cliënt heb horen zeggen: “Zo oud hoef ik niet te worden.” Hoe vaak ik het heb weggewuifd. Hoe vaak ik dacht dat het een verzuchting was. Soms is het dat ook.
Maar soms sta je naast een bed en begrijp je dat het een grens was, een besluit. Geen roep om aandacht, maar een laatste vorm van regie.

Ergens, in een kantoor waar het altijd naar printerinkt en lauwe koffie ruikt, heeft iemand besloten dat zorg prima in m...
30/03/2026

Ergens, in een kantoor waar het altijd naar printerinkt en lauwe koffie ruikt, heeft iemand besloten dat zorg prima in minuten past. Dat is knap, want ik werk al jaren aan het bed en ik heb het nog nooit zien gebeuren dat een cliënt zei: “Doe vandaag maar 12 minuten zorg, meer heb ik niet nodig.”
Maar goed. Het staat wel zo in de contracten tussen de verzekeraar en de zorgorganisaties.

Voor patiënten blijft het meestal onzichtbaar. Die merken het pas als ze te horen krijgen dat er een zorgstop is, of dat ze moeten wachten. Misschien dat ze “even moeten kijken naar een andere aanbieder”, dat klinkt vriendelijk, maar betekent in de praktijk: het geld is op! Niet de zorgvraag, niet het lijden, niet de wond, alleen het geld.

Voor ons, verpleegkundigen, is het dagelijkse kost. Wij werken onder plafonds, niet van beton, maar van Excel. En die plafonds komen steeds lager te hangen, je hoeft niet eens meer op je tenen te staan om ertegenaan te lopen.
We noemen het doelmatigheid. Mooi woord, alsof je iets verkeerd doet als je te veel tijd neemt. Douchen is zoveel minuten, wassen is zoveel minuten, steunkousen zijn zoveel minuten per been. Alles klopt, tot je het optelt! Dan blijkt een cliënt ineens “veel zorg” te gebruiken. Niet omdat die dat wil, maar omdat het lijf niet meewerkt.
En dan begint het ongemak.

Want die wond geneest niet sneller omdat het boekjaar bijna voorbij is. Die steunkousen gaan niet ineens vanzelf aan omdat het gemiddelde scheefloopt. En die cliënt met een beperkt netwerk blijft gewoon bestaan, ook als het contract zegt dat hij eigenlijk te duur wordt.
Hier ontstaat de spagaat, wij weten wat goede zorg is, we weten dat tijd soms het verschil maakt. Wij weten dat even blijven zitten, kijken, luisteren, voorkomt dat je later twee keer zo lang bezig bent. Maar we weten ook dat er wordt meegekeken. Op minuten, op gemiddelden, op afwijkingen.

Daarom zijn we sneller gaan werken, strakker gaan plannen en minder gaan praten. Niet omdat we dat willen, maar omdat het moet. Ja, dan krijgen we die zin naar ons hoofd: “Jullie hadden vroeger nog tijd voor een praatje.” Ja, dat klopt! Dat praatje is niet verdwenen door desinteresse, het is opgeofferd aan doelmatigheid.
Begrijp me niet verkeerd, niemand wil onnodige zorg leveren, niemand wil onbeperkt declareren. Maar een systeem dat langdurige zorg als probleem ziet, zet ons klem tussen professionaliteit en productie.

Zorg laat zich niet vangen in minuten, het leven ook niet. En zolang we blijven doen alsof dat wel kan, blijven wij rekenen aan iets dat eigenlijk niet te becijferen is.
Namelijk: goede zorg.

Soms hoor ik het woord al voordat iemand het echt uitspreekt: (Tucht)klacht.Het hangt dan in de lucht. Zwaar. Alsof iema...
29/03/2026

Soms hoor ik het woord al voordat iemand het echt uitspreekt: (Tucht)klacht.
Het hangt dan in de lucht. Zwaar. Alsof iemand net een bom heeft laten vallen en iedereen doet alsof het niet zo hard klonk.

Het is de schrik van iedere arts, iedere verpleegkundige!
Zo’n brief op de mat, zo’n mail in je inbox, bam! Alsof er ineens een veeg over je uniform wordt gehaald. En niet alleen over je uniform, ook over je naam, je trots, je zelfvertrouwen.

Ik heb er gelukkig nog nooit mee te maken gehad! Daar ben ik oprecht dankbaar voor, iedere dag weer. Maar in de loop der jaren heb ik genoeg collega’s gezien die zich hier doorheen moesten worstelen. Collega’s die normaal met vaste hand een infuus prikken, maar ineens trillen als hun telefoon gaat. Die ’s nachts wakker liggen, die ieder dossier tien keer nalezen, die zich afvragen: heb ik iets gemist? Had ik anders moeten handelen? Ben ik wel goed genoeg?
En dat hakt erin. Omdat ik als ‘bekende kop’ soms net wat makkelijker wordt aangesproken, hoor ik die verhalen. De slapeloze nachten, de schaamte, de stress. Het gevoel dat iedereen naar je kijkt, terwijl je gewoon je werk deed, naar eer en geweten rm met hart voor je patiënt.

Wat veel collega’s niet weten, is dat je er niet alleen voor staat. Ik ben al jaren lid van V&VN en één van de dingen waar ik echt blij mee ben, is de hulplijn bij klachten en tuchtzaken. De V&VN Hulplijn ‘Ik heb te maken met een tuchtklacht’. Gewoon mensen die weten hoe het werkt. Die snappen wat het met je doet. Die niet meteen oordelen, maar luisteren. Uitleg geven. Meedenken.
En het gaat niet alleen om tuchtklachten. Ook bij ‘gewone’ klachten van een cliënt, familie, je werkgever, een collega of zelfs de Inspectie kun je daar terecht. Even sparren, even checken: wat nu? Wat zijn mijn rechten? Wat moet ik doen en wat juist niet?

Voor jonge professionals is dat goud waard. Want niemand leert je op school hoe het voelt als je naam ineens in een klacht staat. We leren wondzorg, medicatieveiligheid, SBAR. Maar dit? Dit leer je pas als het je overkomt.
En dan is het fijn als er iemand naast je staat. Ze zijn er ook als het schuurt, als het spannend wordt, als je even niet meer zo stoer bent als je uniform doet vermoeden.
En eerlijk? Dat alleen al is reden genoeg om lid te zijn. Ben je dat nog niet? Bekijk dan hier alle voordelen: https://www.venvn.nl/lid-worden-van-v-vn

De koffiemachine pruttelde alsof hij ook nachtdienst had gehad. Zo’n geluid dat ergens tussen zuchten en opgeven in zit....
24/03/2026

De koffiemachine pruttelde alsof hij ook nachtdienst had gehad. Zo’n geluid dat ergens tussen zuchten en opgeven in zit. Ik stond in de keuken van de afdeling met een plastic bekertje dat naar karton smaakte. Koffie nummer… geen idee. Veel.
Aan de tafel zat een stagiair. Nieuwe jongen, net begonnen, zo iemand die nog alles netjes opschrijft in een klein schriftje. Ik vind dat altijd mooi, de eerste weken van de zorg zijn een beetje zoals de eerste keer autorijden: je denkt dat iedereen ziet dat je geen idee hebt wat je doet.
Hij keek een beetje ongemakkelijk. “Mag ik je iets vragen?” zei hij.
Dat begint altijd interessant. “Tuurlijk.”
Hij keek even naar de grond, toen naar mij. “Is het… moeilijk om homo te zijn in de zorg?”

Ik moest lachen, niet uitlachen, meer zo’n lach van herkenning. Alsof iemand een vraag stelt die ik zelf jaren geleden ook in mijn hoofd had.
“Nou,” zei ik, terwijl ik op de rand van het aanrecht ging zitten, “dat hangt een beetje af van wie er in het bed ligt.”
Hij keek me niet-begrijpend aan. Dus ik vertelde hem een verhaal.
Een paar jaar geleden verzorgde ik een oude man. Zo’n man die nog met zijn rug recht in bed lag alsof hij elk moment een inspectie van de marine verwachtte. Snor strak, stem zwaar, generatie: zeg maar gerust een tijdperk.
Ik kwam de kamer binnen met een waskom. “Goedemorgen meneer.”
Hij keek me aan, van top tot teen. Zo’n blik die je vroeger van schoolmeesters kreeg.
“Ben jij een verpleger?”
“Ja.”
“Een man?”
“Ook dat.”
Hij knikte langzaam. Alsof hij een ingewikkelde rekensom controleerde.

Toen zei hij: “En die naam… Sjuul… dat klinkt niet erg mannelijk.”
Ik dacht: oké. Dit wordt zo’n ochtend. Ik begon rustig zijn gezicht te wassen. Warm washandje, beetje zeep. Het raam stond open, je rook de regen op het asfalt.
Na een tijdje zei hij ineens: “Mijn kleinzoon is ook zo.”
Ik keek op en vroeg: “Hoe bedoelt u?”
Hij haalde zijn schouders op. “Van de mannen.”
Ik zei niks, gewoon even wachten. “Hij kwam het vertellen aan tafel,” ging hij verder. “Zijn moeder huilde, mijn zoon werd boos. Ik zei alleen: eet je aardappelen op, ze worden koud.”
Ik moest lachen. “En?” vroeg ik. Hij keek naar het plafond. “Nou ja… hij is nog steeds mijn kleinzoon.”
Zo simpel kan het soms zijn. Maar het is niet altijd simpel.
In de zorg kom je alles tegen. Mensen die het niks kan schelen, mensen die nieuwsgierig zijn en mensen die het prachtig vinden. En soms… mensen die het moeilijk vinden.
Ik heb wel eens een mevrouw gehad die me aankeek en zei: “Jij bent zeker zo’n homoverpleger.”

Ik zei: “Ik ben vooral degene met de katheter die u nog moet krijgen, dus als we dit gesprek een beetje vlot willen laten verlopen…”
Ze moest lachen, ijs gebroken en humor helpt.
Maar eerlijk? De meeste mensen kan het werkelijk niets schelen.
Als je iemand helpt uit bed terwijl zijn knieën kraken als een oude vloer, maakt het hem echt niet uit van wie jij ’s avonds houdt.
Als je iemand zijn morfine spuit geeft omdat de pijn als een storm door zijn lijf gaat, denkt niemand: maar is hij wel hetero?
Dan ben je gewoon degene die er is. Die handen heeft die weten wat ze doen. Degene die blijft staan.
Ik heb ook collega’s gehad die homo zijn, lesbisch, bi, trans, alles ertussen en alles eromheen.
In de zorg maakt dat eigenlijk weinig verschil. De een zingt keihard mee met Hazes tijdens de nachtdienst. De ander kijkt RuPaul. De derde praat alleen over zijn moestuin.

We zijn allemaal een beetje vreemd en dat is maar goed ook. Anders werd het hier een saaie boel.
Wat ik wel mooi vind aan de zorg: mensen worden uiteindelijk altijd gewoon mens. Alle laagjes vallen eraf.

De stoere man die vroeger nooit huilde. De vrouw die altijd zei dat ze niemand nodig had. Op een gegeven moment lig je in een bed, met een infuuspaal naast je, en dan maakt het echt geen fluit meer uit wie van wie houdt.
Dan wil je gewoon iemand die je hand vasthoudt. Iemand die zegt: “Ik ben er.”
Ik heb ooit een cliënt gehad die op zijn sterfbed lag. Zijn partner zat naast hem. Twee mannen en al veertig jaar samen. Hij hield zijn hand vast. De ander keek me aan en zei: “Hij was altijd degene die voor iedereen zorgde.”
Ik knikte, dat herken ik. Toen zei hij zacht: “Nu zorgen jullie voor hem.”
En daar zit het eigenlijk. In de zorg gaat het niet over labels. Niet over homo, hetero, man, vrouw, of wat dan ook.
Het gaat over zorgen. Over iemand wassen zonder dat hij zich schaamt. Over een grap maken als iemand bang is. Over stil zijn als woorden te zwaar worden.
Dus ik keek die stagiair weer aan in de keuken. “Is het moeilijk om homo te zijn in de zorg?” herhaalde ik zijn vraag.
Ik haalde mijn schouders op. “Alleen als je koffie moet drinken uit deze automaat.” Hij lachte.

En toen piepte er ergens een bel. Kamer 12. “Kom,” zei ik. “Tijd om te werken.”
Want uiteindelijk draait het in de zorg maar om één ding. Of je hart groot genoeg is om voor mensen te zorgen.
De rest… dat is bijzaak.

PS: passender dan dit kreeg ik mijn afbeelding niet gemaakt!

Voor alle studenten in de zorg:“En wat krijg jij eigenlijk voor je stage?” vraag ik terwijl ik nog net niet met m’n met ...
22/03/2026

Voor alle studenten in de zorg:

“En wat krijg jij eigenlijk voor je stage?” vraag ik terwijl ik nog net niet met m’n met mijn geduld in de kelder een steunkous over iemands enkel probeer te wurmen om het ding uit te doen.

“Eh… driehonderd euro per maand.”

Ik kijk op. “Bruto?!” “Ja…” zegt hij, met zo’n gezicht van: zeg alsjeblieft dat dit normaal is. Ik zucht, zo’n diepe, vermoeide, jarenlange-zorgervaring-zucht. “da’s nog geen 1 euro en 88 cent per uur. Daar koop je nog net geen drankje van op het terras.”

Hij lacht. “Tja, ik doe het voor de ervaring.” Ik gooi de steunkous in de hoek waar de wasmand staat en help mevrouw terug in haar orthopedische stappers. Maar in mijn hoofd ben ik nog bij die driehonderd euro. Terwijl hij zorgt, zweet, sjouwt, huilt, lacht, alles geeft. Net als wij, alleen dan zonder salaris.

Ik weet nog goed hoe dat voelde. Eerste stagedag: Doodzenuwachtig, bang om de tillift te laten omvallen of per ongeluk iemand z’n gebit te verwisselen omdat de oude garde je bang had zitten maken over een bak vol met gebitten die je moest poetsen. En toch ga je, want je wil zorgen, omdat je het verschil wil maken.

En da’s dus waar V&VN binnen komt fietsen, of nou ja binnen komt denderen. Want die zijn het zat. Net als ik, zeggen die: “Ho even. Stagiaires zijn geen gratis arbeidskrachten met een beetje begeleiding erbij. Ze zijn de toekomst van de zorg.” terecht! Want zonder hen sta ik straks met mijn beginnende hernia 32 bewoners te wassen in m’n eentje, op een afdeling zonder collega’s en waar verder nergens meer tijd voor is.

V&VN zegt hardop wat ik vaak mompel in de fietskelder: die stagevergoeding moet omhoog, punt! En dat roepen ze niet alleen in een WhatsAppgroepje met boze emoji’s, nee, ze zitten bij ministeries aan tafel. Ze maken beleid, ze lobbyen, ze schrijven, ze drukken.

En nog mooier: als leerling of stagiair mag je je gratis aansluiten bij V&VN. Gewoon, voor niks. Geen tientje per maand, geen klein gedrukte bu****it, gewoon: “Welkom in de club. Je hoort erbij.”

Ik zei het tegen die stagiair later op de gang. “Jongen, als je ergens vandaag nog wat goeds voor jezelf wilt doen, naast je boterham uit de broodtrommel van je moeder eten, meld je aan bij V&VN.”

Hij lachte. “Heb je aandelen of zo?”

“Nee vriend,” zei ik, “Maar ik geloof erin dat als we allemaal lid zouden zijn, we daadwerkelijk het verschil kunnen maken!”

Dus ja, gratis lid, een netwerk, inspraak, hulp. En mensen die voor je opkomen als de rest van de wereld even denkt dat je gewoon ‘dat ventje met dat naamkaartje’ bent.

Want jij bent méér dan dat. Je bent de toekomst en dat mag best iets waard zijn. Meer dan 1,88 per uur, toch? Gratis lid worden doe je hier:

https://www.venvn.nl/v-vn-studenten

Soms hoor ik een uitspraak die zich ergens diep in mijn hoofd vastzet. Zo eentje die blijft hangen, alsof iemand hem daa...
21/03/2026

Soms hoor ik een uitspraak die zich ergens diep in mijn hoofd vastzet. Zo eentje die blijft hangen, alsof iemand hem daar heeft neergelegd en daarna de deur zachtjes achter zich heeft dichtgetrokken. Je loopt weer verder, doet je werk, voert gesprekken, maar ondertussen blijft die zin ergens rondzingen. Deze uitspraak greep me. Niet alleen als zorgverlener, maar misschien nog wel meer als partner van iemand die ik heb verloren.

In mijn werk zie ik de dood vaker dan de meeste mensen. Het hoort bij het vak, al went het nooit helemaal. Je ziet mensen sterven, je ziet families instorten, en je ziet ook dat moment waarop een lichaam ineens gewoon… stil is. Dat blijft een vreemd moment. Want waar iemand eerst nog een mens was, met verhalen, herinneringen, liefde, grapjes en irritaties, ligt er ineens alleen nog een lichaam. Dat klinkt hard, maar het is wel wat ik zie. En misschien is dat ook waarom die uitspraak me zo raakte.

Ik geloof namelijk niet zo in hemel en hel. Niet in wolken waar mensen naartoe vertrekken om daar ergens boven ons verder te leven. Voor mij voelt het anders. Ik geloof dat mensen hier blijven. Niet letterlijk natuurlijk, maar in alles wat ze achterlaten. In herinneringen. In kleine gewoontes. In een liedje dat ineens pijn doet als je het hoort. In een geur, een plek, een zin die iemand altijd zei. Het lichaam sterft, dat zie ik met eigen ogen. Maar wie iemand was, dat verdwijnt niet zomaar. Dat blijft hier, tussen de mensen die van hem of haar hielden.

In mijn werk heb ik mensen zien instorten van verdriet. Echt instorten. Mensen die naast een bed door hun knieën zakken omdat hun wereld zojuist kleiner is geworden. Handen voor hun gezicht, adem die hapert, schouders die schokken van het huilen. En iedere keer weer voel je dat als zorgverlener. Soms sta je daar stil naast, soms leg je een hand op een schouder, soms zeg je helemaal niets. Want er zijn momenten waarop woorden simpelweg te klein zijn.

Ik weet ook hoe dat voelt, dat instorten. Want ik ben zelf ook ingestort van verdriet. Niet in een ziekenhuisgang of naast een bed, maar ergens op een moment dat niemand keek. Verdriet kan een mens breken. Dat weet ik inmiddels. Het kan je knieën week maken en je hart zwaar, alsof je een steen met je meedraagt waar niemand anders iets van ziet.

En toen hoorde ik dus die uitspraak. Simpel eigenlijk. Maar zo raak dat ik hem nooit meer ben vergeten. Iemand zei: “Doodgaan is eigenlijk hetzelfde als een station.” Degene die overlijdt stapt in de trein. Hij neemt plaats, misschien kijkt hij nog even uit het raam. En wij… wij blijven achter op het perron. We staan daar met z’n allen. Misschien zwaaien we nog even. Misschien roepen we nog iets. Misschien zeggen we helemaal niets omdat de woorden ergens vast blijven zitten in onze keel.

Dan gaan de deuren dicht. Heel langzaam begint de trein te rijden. Eerst bijna onmerkbaar, daarna steeds iets sneller. En daar sta je dan. Op dat perron. Met lege handen.

En toen kwam de vraag die erbij hoorde. Een vraag die me eigenlijk nog meer greep dan de uitspraak zelf. Wie heeft er nu eigenlijk het meeste verdriet? Wij, die achterblijven op dat perron? Of degene die in de trein zit en langzaam verder rijdt?

Ik weet het antwoord niet. Misschien bestaat dat antwoord ook niet. Maar die gedachte bleef bij me hangen. Want hoe groot mijn verdriet ook was toen ik iemand verloor, er zat nog iets onder dat verdriet. Iets dat eigenlijk nog veel groter was. Liefde. En herinneringen. Die momenten waarop je samen om iets stoms moest lachen. Dat ene gesprek dat je nooit meer vergeet. Of gewoon het gevoel dat iemand er was, zonder dat daar woorden voor nodig waren.

Soms, wanneer ik in mijn werk weer naast een bed sta en iemand zie vertrekken, denk ik weer even aan dat perron. Aan die trein die langzaam weg rijdt. En dan hoop ik stiekem maar één ding. Dat degene die vertrekt nog één keer door het raam kijkt. En ziet dat wij daar nog staan. Met tranen in onze ogen, ja. Maar ook met een hart dat vol zit met alles wat ze ons hebben gegeven.

Misschien is dat wel precies waarom het zo’n pijn doet om iemand te verliezen. Niet omdat iemand simpelweg weggaat. Maar omdat iemand zoveel heeft achtergelaten. Zo ontzettend veel. Dat je het bijna niet kunt dragen. En toch… doen we dat. Iedere dag weer. Omdat liefde blijkbaar sterker is dan afscheid.

Vanavond zat ik aan de keukentafel mijn werktas leeg te halen. Zo’n tas waar je alles in terugvindt wat je tijdens een d...
19/03/2026

Vanavond zat ik aan de keukentafel mijn werktas leeg te halen. Zo’n tas waar je alles in terugvindt wat je tijdens een dienst nodig hebt. Handschoenen, een pleister die ergens los rondzwerft, drie pennen waarvan er één misschien nog schrijft… en onderin een mapje met protocollen. Van die protocollen die je ooit geleerd hebt, maar waarvan je diep van binnen hoopt dat ze gewoon netjes in die tas blijven liggen. Eentje daarvan is het blow-out protocol. Alleen de naam klinkt al alsof er iets uit een actiefilm gaat gebeuren. En eerlijk is eerlijk… als het gebeurt, is het ook heftig. Een blow-out is een plotselinge, massale bloeding die kan optreden bij bijvoorbeeld een kwaadaardige hoofd-halstumor. De tumor kan in een groot bloedvat groeien en als dat vat het begeeft, ontstaat er een explosieve bloeding. In de praktijk betekent dat bijna altijd dat het een fatale bloeding is.

Niet echt een onderwerp voor bij de koffieautomaat dus. Maar in de zorg ontkom je er soms niet aan om ook dit soort dingen eerlijk te bespreken. Vaak weet een patiënt namelijk al dat dat risico bestaat. En de familie meestal ook. Dat klinkt zwaar, maar het voorkomt paniek als het ooit gebeurt. Want geloof me… zo’n moment is voor iedereen in de kamer ingrijpend. Daarom wordt er vooraf nagedacht. De patiënt ligt vaak op een eenpersoonskamer. Op de kamer liggen donkere handdoeken klaar. Handschoenen liggen binnen handbereik. En er staat een klein bakje met medicatie klaar: midazolam, een spuit en een naald. Niet om iemand te genezen, maar om iemand rust te geven als het nodig is.

Ik moest daar laatst aan denken door een meneer die ik een tijd in zorg had. Zo’n man die wist dat zijn lichaam langzaam afscheid aan het nemen was, maar die daar met een soort droge humor naar keek. Ik kwam binnen en hij zei meteen: “Broeder, heb je weer koffie nodig?” Dat soort mensen draaien de rollen altijd om. Ik kom voor hem zorgen, maar hij doet alsof hij de gastheer is. We zaten een beetje te praten. Over voetbal. Over het weer. Over het feit dat de koffie in zijn flatgebouw smaakte alsof iemand er een sok in had uitgeknepen. En toen kwam het gesprek vanzelf op het onderwerp waar niemand echt graag over praat. Het einde.

Ik legde hem rustig uit wat een blow-out kan zijn. Gewoon eerlijk, zonder dramatische woorden. “Als het ooit gebeurt,” zei ik, “dan ga ik niet rennen als een kip zonder kop. Dan blijf ik gewoon bij u.” Hij keek me een paar seconden aan en knikte. “Goed plan,” zei hij. “Dan ben ik tenminste niet alleen.” En dat is eigenlijk precies waar dat protocol over gaat. Als zo’n bloeding ontstaat, blijft de zorgverlener bij de patiënt. De bloedende plek wordt afgedekt met donkere handdoeken, zodat het minder schokkend oogt voor patiënt en familie. Ondertussen wordt een collega gealarmeerd die de arts belt en de familie opvangt.

Als er verstikkingsgevaar of veel onrust ontstaat, kan midazolam intramusculair worden toegediend. Dat werkt meestal binnen vijf tot tien minuten en zorgt ervoor dat iemand rustig wordt. Geen medische heldendaden dus. Gewoon rust bewaren. En vooral: iemand niet alleen laten.

Na zo’n gebeurtenis stopt het werk trouwens niet. Er is nazorg voor de familie, maar ook voor de zorgverleners die erbij waren. Want hoe professioneel je ook bent… sommige momenten blijven gewoon een tijdje bij je hangen. Die meneer keek me een keer aan en zei: “Als ik ga, wil ik dat jij erbij bent.” Ik zei: “Dat kan geregeld worden. Maar dan moet u wel eerst betere koffie regelen.” Hij moest lachen. Zo hard dat zijn pomp begon te piepen.

En misschien is dat wel het gekke aan dit soort protocollen. Ze gaan over iets wat verschrikkelijk klinkt. Maar uiteindelijk gaan ze niet over bloed. Ze gaan over er zijn. Een stoel bij het bed. Een hand vasthouden. Rust bewaren. En als het nog even kan… nog één slechte grap maken. Dat is zorg.

Adres

Ameide

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Broeder Sjuul nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Delen