13/02/2026
We zijn kampioen mopperen.
Het Nederlands elftal wint, en dan is het niet overtuigend genoeg. Verliezen we, dan is de bondscoach ineens een prutser. Speelt Ajax slecht, dan is het de trainer. Wint het Nederlands korfbalteam niet met meer dan twintig goals, dan is het meteen een slechte lichting. Het gaat zelden over wat er echt gebeurt op het veld of op de baan. Het gaat over ons oordeel. Over onze behoefte om altijd iets te vinden.
Nu zijn de Olympische Spelen net een kleine week bezig. We hebben een paar medailles binnen. Ja, het hadden er ook meer kunnen zijn. Een verkeerde wissel hier, een valpartij daar, en je kunt een droom in drie seconden zien kantelen. Dat is topsport. Messy, hard, genadeloos. Maar in plaats van dat we dat accepteren, gaan we rekenen alsof het een boodschappenbon is. Had gekund, had gemoeten, dus: teleurstellend.
En toch wil ik er eentje uitlichten. Jutta Leerdam.
Op 9 februari 2026 werd ze in Milaan olympisch kampioen op de 1000 meter. Ze is drievoudig wereldkampioen op de teamsprint en werd in 2020 en 2023 wereldkampioen op de 1000 meter. Een prijzenkast waar de meeste sporters alleen maar van kunnen dromen. En wat doen wij? We zoeken de randen op. We gaan niet kijken naar de prestatie, maar naar de randzaken.
Want ja, ze kwam met een privéjet. Ja, haar vriend is wereldberoemd. Ja, alles rondom haar wordt groter gemaakt dan het is, omdat het clicks oplevert. Maar hier is de vraag die niemand hardop stelt: wanneer is het ooit goed genoeg?
Stel je even het andere scenario voor. Ze komt met een normale lijnvlucht, ergens achterin, zoals “het hoort”. Ze wordt tweede of vierde. Dan had heel Nederland klaar gestaan met het bekende koor: zie je wel, nu het erop aankomt presteert ze niet. Afgeleid. Te veel glamour. Verkeerde focus. En natuurlijk had haar vriend het ook weer gedaan.
Maar nu pakt ze goud. Het hoogst haalbare. Het moment waar je jaren voor leeft, waar je lichaam voor gesloopt wordt, waar je hoofd voor moet blijven staan terwijl de druk je keel dichtknijpt. En zelfs dan lukt het ons om te zeuren. Over voorbereiding. Over imago. Over het vliegtuig. Over alles behalve dat ene simpele feit: ze leverde.
Wat dit echt zegt, is niet zoveel over Jutta. Het zegt vooral iets over ons. We verwachten het maximale van iedere topsporter, alsof het vanzelfsprekend is. Alsof talent een garantie is en hard werken een abonnement op goud. Alsof winnen de norm is en alles daaronder een fout.
Misschien moeten we eens stoppen met doen alsof we met negentien miljoen bondscoaches op de bank zitten. Topsport is geen spreadsheet. Het is geen recht. Het is een gevecht tegen seconden, tegen twijfel, tegen timing, tegen pech. En soms, heel soms, valt alles op z’n plek.
Dan win je olympisch goud.
En dat moment verdient maar één reactie: respect.
André Mostard