23/12/2025
Vorige week stond ik weer voor een groep post master studenten Social Works op een Hogeschool ergens in t land. Zo’n ochtend waar ik vooraf altijd een lichte opwinding voel, nog voordat ik het lokaal binnenloop. Niet door de spanning, eerder door betekenis van die les. Dit is namelijk die les waarin veel wat klopt voor mij, samenkomt: hechting, emotieregulatie en Emotionally Focused Therapy. En vooral die ene boodschap die ik al jaren met me meedraag, alsof die zin inmiddels onderdeel is geworden van mijn zijn. Hulpverleners zijn hechtingsfiguren. Niet “een beetje”. Niet “in sommige gevallen”. Gewoon: ja. Punt.
En dat is meteen ongemakkelijk, want de meeste hulpverleners zijn opgeleid om te kijken naar het probleem, het gedrag, het systeem, de diagnose, de context, de factoren, de verklaringen, de interventies. Allemaal belangrijk. Echt. Alleen, ergens tussen die woorden door, verdwijnt soms dat simpele menselijke feit: als een kind en een ouder bij jou binnenkomen, ben jij niet alleen een professional. Jij bent ook iemand bij wie het systeem even hoopt te landen. Iemand die veiligheid kan bieden. Iemand die vertrouwen kan herstellen, of het per ongeluk verder kan beschadigen.
Ik noem dat vuurtorenwerk. Stevig staan. Zichtbaar zijn. Betrouwbaar blijven. En vooral: je licht warm laten schijnen, ook wanneer het gezin in stormweer binnenkomt. In die les vertel ik altijd iets over toegankelijkheid, responsiviteit en betrokkenheid. Over hoe je meervoudig partijdig inzet en vooral niet gaat schipperen of pleasen. Over hoe je ouders kunt zien als samenwerkingspartners, zelfs wanneer ze fel zijn, controlerend, boos, veeleisend, wantrouwig of hyperalert. En ik zeg er ook bij: die buitenkant is meestal niet het hele verhaal. Het is vaak de jas die iemand aantrekt wanneer het vanbinnen te koud wordt.
En toen vertelde ik vandaag mijn eigen verhaal. Onvoorbereid en toch altijd nog aanwezig in mij. Soms past het niet, of nog niet. Een andere keer voegt het naadloos. Ik heb ooit, als moeder, ervaren hoe het is om met je kind in de hulpverlening terecht te komen en binnen no time het label “lastig” te voelen naderen. Niet omdat iemand dat letterlijk op een A4’tje schreef en onder mijn neus schoof, al leek het daar soms wel op. Het zat in blikken, in zuchten, in de toon waarop men “toch nog even” zei. En het zat in één zin die ik nooit ben vergeten, omdat hij zo achteloos werd uitgesproken en toch zo precies raakte.
“Wees eens wat minder psycholoog en wat meer ouder.”
Ik weet nog hoe mijn lijf reageerde. Alsof ik ineens te groot was voor de ruimte. Alsof ik tegelijk te veel en niet welkom was. En wat er daarna gebeurde is interessant, ook vanuit hechtingsperspectief. Ik ging niet keurig op mijn handen zitten. Ik ging niet netjes knikken en me aanpassen. Er kwam iets in mij overeind. Hard. Alert. Vastberaden. Als hulpverleners zó kunnen praten, dacht ik, dan moet ik mijn kind beschermen. En ja, dat was onmacht. Natuurlijk was dat onmacht. Maar het was ook liefde. En loyaliteit. En een zenuwstelsel dat zei: dit is gevaarlijk terrein, blijf wakker.
Wat ik in de les ook benoemde, is hoe makkelijk het is om alleen die buitenkant te zien. Een ouder die kritisch is. Een ouder die mee wil denken. Een ouder die vragen stelt, suggesties aandraagt, zich niet zomaar laat sussen met algemene woorden. In sommige teams wordt dat razendsnel vertaald naar: ingewikkeld, controlerend, weerstand. Terwijl het net zo goed kan betekenen: deze ouder is bang. Deze ouder heeft al te vaak meegemaakt dat er niet geluisterd werd. Deze ouder probeert grip te houden omdat het anders voelt alsof hij zijn kind uit handen geeft in een systeem dat hem niet begrijpt.
Dat is het punt waar de interne representatie van onze werkelijkheid tot leven komt en hun werk doen. Niet alleen bij cliënten, ook bij hulpverleners.
Als jouw interne werkmodel ergens heeft opgeslagen dat “kritische ouders” gevaarlijk zijn, lastig, ondermijnend of tijdrovend, dan voel je dat meteen. Dan gaat je lijf net iets strakker. Dan word je formeler. Dan ga je meer uitleggen dan afstemmen. Dan ga je het gesprek managen. En voor je het weet, zit je in een patroon waar je zelf ook last van krijgt, omdat je ineens niet meer vrij bent om echt contact te maken.
En toen gebeurde het.
Na mijn verhaal stak één student haar hand op. Zo’n moment dat je even denkt: komt er een inhoudelijke vraag over EFT, of over de Window of Tolerance, of over co-regulatie? Prima, ik ben er klaar voor, ik heb mijn ervaring, ik heb mijn voorbeelden, ik kan het hele circus laten draaien.
Maar zij vroeg iets heel anders.
“Barbara, wat had je toen nodig gehad van de hulpverleners?”
Ik voelde het meteen. Alsof er iemand met één zin het licht precies op de juiste plek zette. Het was zo’n vraag die niet gaat over de casus, maar over de mens. Niet over de analyse, maar over de relatie. En het raakte me ook omdat het, tot op de dag van vandaag, nauwelijks gesteld is.
Wat had jij nodig?
Niet: wat deed je verkeerd. Niet: wat was jouw aandeel. Niet: waarom reageerde je zo. Maar: wat had je nodig.
Ik merkte dat ik even moest slikken. Eén paar seconde had ik nodig. En ik hoorde mezelf zeggen wat eigenlijk heel eenvoudig is: Ik had me gehoord en gezien willen voelen. Ik had willen voelen dat ik er toe deed. Dat ik niet afgeserveerd werd. Dat iemand mijn angst kon zien, zonder hem weg te redeneren. Dat iemand even bij me bleef, terwijl ik aan het vechten was om mijn kind niet kwijt te raken in een systeem dat me als “te veel” bestempelde.
En terwijl ik dat zei, dacht ik: dit is het.
Dit is precies waarom ik deze les geef.
Hulpverleners zijn niet onverschillig. De meesten zijn dat helemaal niet. Ze zijn vaak toegewijd, intelligent, hardwerkend en diep gemotiveerd. Alleen, ze worden getraind om het probleem op te lossen, en soms vergeten ze dat veiligheid de snelweg is waarlangs elke oplossing überhaupt kan rijden. Zonder veiligheid wordt elk gesprek een discussie. Elke interventie een techniek. Elk plan een formulier.
En ergens achterin het lokaal zat ook een hulpverlener uit het onderwijs die zei: “Waarom krijgen we dit niet mee in de opleiding?”
Goeie vraag.
Waarom leren we wel gespreksvoering, diagnostiek en behandelprotocollen, maar zo weinig over de positie die je inneemt in het zenuwstelsel van een gezin? Over hoe jij, zonder het te willen, een correctieve ervaring kunt zijn. Of een bevestiging van alles waar ze al bang voor waren.
Wat me ontroerde, was dat die ene vraag een verschuiving maakte. In mij, in de groep, in de ruimte. Het werd stiller. Zachter. Menselijker. Alsof iedereen even besefte: we hebben het hier niet over theorie. We hebben het over echte mensen met echte behoeftes, die vaak te lang al in hun eentje overeind staan.
En dat is misschien het meest onderbelichte stuk: ouders zijn vaak ook uitgeputte hechtingswezens. Ze staan weken, maanden, soms jaren in een overlevingsstand. Ze worden wakker met zorgen. Ze slapen licht. Ze twijfelen aan zichzelf. Ze zijn bang om de verkeerde dingen te zeggen. Ze proberen de “goede ouder” te zijn in een situatie waarin niets vanzelf gaat. En dan komen ze bij ons, en kijken ze, vaak zonder woorden, of wij veilig zijn. Of we hen serieus nemen. Of we hen meenemen. Of we hen wegzetten.
Vuurtorenwerk is dan niet groot of ingewikkeld. Het zit hem soms in één vraag.
“Wat heb jij nodig?”
En daarna even stil zijn. Niet meteen invullen. Niet meteen oplossen. Gewoon ruimte maken voor het antwoord.
Als ik je nu, terwijl je dit leest, iets wil meegeven, dan is het dit: denk eens aan die ouder die jou energie kost. Die ouder die veel vraagt. Veel mailt. Veel zucht. Veel verdedigt. Veel weet. Veel twijfelt. Veel controleert.
Wat zou er gebeuren als je, al is het maar één keer, niet begint bij het gedrag, maar bij de behoefte? Welke vraag zou jij kunnen stellen die een vuurtoren aanzet in plaats van een alarm?
En durf je dan te luisteren naar het antwoord, ook als het je raakt?