01/01/2026
In het nieuwe jaar zal ik jouw stem nooit meer horen. Die gedachte ligt als een steen op mijn borst terwijl de laatste uren van 2025 wegglijden. Het jaar sterft niet plotseling; het ademt langzaam uit, minuut voor minuut, alsof het zelf ook moeite heeft om afscheid te nemen. Buiten is de lucht zwaar van kou en belofte, maar binnen voelt alles leeg, uitgehold.
Ik zit aan de tafel waar jij altijd zat. De stoel staat er nog, iets van je jas hangt eroverheen, alsof je elk moment kunt binnenlopen en zeggen dat ik me niet zo moet aanstellen. Dat je “zo terug bent”. Ik betrap mezelf erop dat ik luister. Naar de trap. Naar de gang. Naar niets. Stilte heeft nu een geluid gekregen, en het klinkt als gemis.
2026 kan ik niet verwelkomen, want welkom zeggen doe je samen. Jij was degene die aftelde, die lachte bij “tien”, die mijn hand vastpakte bij “nul”. Jij was het anker dat het nieuwe jaar veilig maakte. Zonder jou voelt elk volgend jaar als onbekend water, koud en diep, zonder reddingsboei.
De klok aan de muur tikt luid, bijna beschuldigend. Elk tikje zegt: *verder*. Maar mijn hart zegt: *blijf*. Ik blader door herinneringen alsof het fotoalbums zijn: onze gesprekken die nergens over gingen maar alles betekenden, jouw stem die mijn naam anders uitsprak dan wie dan ook. Die stem zal nooit meer door deze kamer gaan, nooit meer door een telefoon, nooit meer onverwacht opduiken in mijn dag. Dat besef snijdt opnieuw, alsof verlies geen einde kent maar zich blijft herhalen.
Wanneer de avond overgaat in nacht, vult de hemel zich met vuurwerk. Lichtflitsen die de hemel openscheuren, gevolgd door knallen die te hard zijn voor een wereld waarin jij ontbreekt. Ik vraag me af waar je nu bent, of tijd daar ook bestaat, of jij weet dat dit moment komt en hoe zwaar het voelt om het zonder jou te dragen.
Vijf minuten voor twaalf sta ik op. Niet om te vieren, maar omdat blijven zitten ondraaglijk is. Ik leg mijn hand op de koude ruit en adem langzaam uit. In de weerspiegeling zie ik iemand die ouder lijkt dan een jaar geleden. Rouw laat sporen na die niemand ziet, behalve degene die ermee moet leven.
Dan is het middernacht. 2025 verdwijnt, ongevraagd, en 2026 stapt binnen zonder aankloppen. Ik zeg niets. Ik huil niet eens. Er valt alleen een stille belofte in mij: dat ik je niet loslaat om verder te kunnen. Dat ik verder ga mét jou, in herinneringen, in kleine gewoontes, in de manier waarop ik soms tegen de leegte praat.
Misschien kan ik 2026 niet verwelkomen. Maar ik kan het verdragen. Stap voor stap. Adem voor adem. Met jouw afwezigheid als schaduw, en jouw liefde als iets dat, tegen alle logica in, nog steeds blijft.