02/03/2026
Dit is geen zwakke generatie. Dit is een overbelaste generatie.
Wat we nu zien bij jonge werknemers, begint vaak al op de middelbare school. In de praktijk zien we het dagelijks: Jongeren en jongvolwassenen die vastlopen. Op school. Tijdens hun studie. Of later, op de werkvloer.
En telkens opnieuw wordt de vraag gesteld: hoe komt dit? Is het een kwestie van motivatie? Van inzet? Van mentaliteit?
Maar wanneer we verder kijken, zien we iets anders.
We zien kinderen die jarenlang hun best hebben gedaan om te voldoen aan verwachtingen die niet altijd aansloten bij wie ze waren of wat ze nodig hadden.
Kinderen die zich hebben aangepast. Die zijn doorgegaan, ook wanneer het moeilijk was. Die hebben geleerd om spanning te verdragen, zonder dat er altijd ruimte was om die spanning te begrijpen. De middelbare school is een periode waarin niet alleen kennis wordt opgebouwd, maar ook zelfbeeld.
En in deze tijd speelt er nog iets anders mee. Jongeren groeien op in een wereld waarin hun brein zelden echt tot rust komt. Naast de belasting van school is er een continue stroom aan prikkels via sociale media, groepsapps en digitale communicatie. Het brein is voortdurend actief, voortdurend alert, voortdurend in verbinding met de buitenwereld.
Waar eerdere generaties na schooltijd vaker vanzelf tot rust kwamen, blijft het brein nu ook daarna actief. Jongeren worden voortdurend geconfronteerd met berichten, verwachtingen en de levens van anderen. Het brein is van nature gevoelig voor vergelijking. Wanneer deze vergelijking continu aanwezig is, kan dit het gevoel versterken dat je moet blijven voldoen, moet blijven presteren, en niet mag falen.
Wanneer een kind vervolgens herhaaldelijk ervaart dat iets niet lukt, ondanks inspanning, gebeurt er meer dan alleen een tegenvallend cijfer. Het brein en het zenuwstelsel slaan deze ervaringen op. Er kan een diepere overtuiging ontstaan: ik moet harder werken om te voldoen. Ik mag niet falen. Ik moet doorgaan.
We zien de gevolgen hiervan steeds duidelijker terug in de cijfers.
Het aantal thuiszitters is de afgelopen jaren fors toegenomen. Kinderen die niet meer naar school kunnen, niet omdat ze niet willen leren, maar omdat hun systeem overbelast is geraakt.
En hetzelfde zien we later terug op de werkvloer. Het aantal jongvolwassenen met burn-outklachten is nog nooit zo hoog geweest. Jonge mensen die willen werken, willen bijdragen, maar vastlopen omdat hun draagkracht langdurig onder druk heeft gestaan.
Langdurige spanning heeft gevolgen. Het beïnvloedt concentratie, geheugen, zelfvertrouwen en belastbaarheid. Niet omdat een kind niet intelligent is, maar omdat het systeem langdurig onder druk staat. Veel van deze jongeren gaan door. Ze halen hun diploma. Ze gaan studeren. Ze vinden werk.
Van buiten lijkt het alsof het goed gaat. Maar van binnen is er vaak een patroon ontstaan van aanpassen, volhouden en over grenzen heen gaan. En dan, ergens in de jongvolwassenheid, wordt zichtbaar wat zich langzaam heeft opgebouwd.
Vermoeidheid, overbelasting, twijfels aan het eigen functioneren, behoefte aan meer herstel en de vraag naar flexibiliteit.
Niet altijd omdat deze jonge mensen minder willen bijdragen. Maar omdat hun systeem lange tijd op wilskracht heeft gefunctioneerd. Een mens kan veel dragen. Maar niet onbeperkt, en niet zonder herstel.
Misschien is dit wel één van de belangrijkste signalen van deze tijd. Niet dat jonge mensen minder sterk zijn. Maar dat ze eerder herkennen wanneer iets niet meer in balans is.
Dat vraagt iets van jongeren zelf. Het ontwikkelen van veerkracht, het opbouwen van vertrouwen in hun eigen kunnen, stap voor stap.
Maar het vraagt ook iets van ons als volwassenen. Van ouders, van scholen en ook van werkgevers.
Niet alleen de vraag: wat moet dit kind of deze jongere leren om te presteren? Maar ook: wat heeft dit kind of deze jongere nodig om zich veilig, bekwaam en duurzaam te ontwikkelen? Want draagkracht groeit niet alleen door belasting. Het groeit door de juiste balans tussen inspanning en herstel.
Misschien ligt de echte vraag niet bij deze generatie, maar bij ons allemaal. Herkennen we de signalen op tijd? Geven we ruimte voor ontwikkeling, of alleen voor prestaties? En durven we anders te kijken naar wat een mens nodig heeft om werkelijk tot bloei te komen?
Ik ben benieuwd hoe u dit ziet.
Herkent u dit als ouder, als werkgever, of misschien in uzelf?